NEVIIM

Jesaja 56

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה שִׁמְר֥וּ מִשְׁפָּ֖ט וַ/עֲשׂ֣וּ צְדָקָ֑ה כִּֽי קְרוֹבָ֤ה יְשֽׁוּעָתִ/י֙ לָ/ב֔וֹא וְ/צִדְקָתִ֖/י לְ/הִגָּלֽוֹת
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.

2
אַשְׁרֵ֤י אֱנוֹשׁ֙ יַעֲשֶׂה זֹּ֔את וּ/בֶן אָדָ֖ם יַחֲזִ֣יק בָּ֑/הּ שֹׁמֵ֤ר שַׁבָּת֙ מֵֽ/חַלְּל֔/וֹ וְ/שֹׁמֵ֥ר יָד֖/וֹ מֵ/עֲשׂ֥וֹת כָּל רָֽע
STATEN

Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.

3
וְ/אַל יֹאמַ֣ר בֶּן הַ/נֵּכָ֗ר הַ/נִּלְוָ֤ה אֶל יְהוָה֙ לֵ/אמֹ֔ר הַבְדֵּ֧ל יַבְדִּילַ֛/נִי יְהוָ֖ה מֵ/עַ֣ל עַמּ֑/וֹ וְ/אַל יֹאמַר֙ הַ/סָּרִ֔יס הֵ֥ן אֲנִ֖י עֵ֥ץ יָבֵֽשׁ
STATEN

En de vreemde, die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.

4
כִּי כֹ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה לַ/סָּֽרִיסִים֙ אֲשֶׁ֤ר יִשְׁמְרוּ֙ אֶת שַׁבְּתוֹתַ֔/י וּ/בָֽחֲר֖וּ בַּ/אֲשֶׁ֣ר חָפָ֑צְתִּי וּ/מַחֲזִיקִ֖ים בִּ/בְרִיתִֽ/י
STATEN

Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;

5
וְ/נָתַתִּ֨י לָ/הֶ֜ם בְּ/בֵיתִ֤/י וּ/בְ/חֽוֹמֹתַ/י֙ יָ֣ד וָ/שֵׁ֔ם ט֖וֹב מִ/בָּנִ֣ים וּ/מִ/בָּנ֑וֹת שֵׁ֤ם עוֹלָם֙ אֶתֶּן ל֔/וֹ אֲשֶׁ֖ר לֹ֥א יִכָּרֵֽת
STATEN

Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.

6
וּ/בְנֵ֣י הַ/נֵּכָ֗ר הַ/נִּלְוִ֤ים עַל יְהוָה֙ לְ/שָׁ֣רְת֔/וֹ וּֽ/לְ/אַהֲבָה֙ אֶת שֵׁ֣ם יְהוָ֔ה לִ/הְי֥וֹת ל֖/וֹ לַ/עֲבָדִ֑ים כָּל שֹׁמֵ֤ר שַׁבָּת֙ מֵֽ/חַלְּל֔/וֹ וּ/מַחֲזִיקִ֖ים בִּ/בְרִיתִֽ/י
STATEN

En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;

7
וַ/הֲבִיאוֹתִ֞י/ם אֶל הַ֣ר קָדְשִׁ֗/י וְ/שִׂמַּחְתִּי/ם֙ בְּ/בֵ֣ית תְּפִלָּתִ֔/י עוֹלֹתֵי/הֶ֧ם וְ/זִבְחֵי/הֶ֛ם לְ/רָצ֖וֹן עַֽל מִזְבְּחִ֑/י כִּ֣י בֵיתִ֔/י בֵּית תְּפִלָּ֥ה יִקָּרֵ֖א לְ/כָל הָ/עַמִּֽים
STATEN

Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.

8
נְאֻם֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה מְקַבֵּ֖ץ נִדְחֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל ע֛וֹד אֲקַבֵּ֥ץ עָלָ֖י/ו לְ/נִקְבָּצָֽי/ו
STATEN

De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot Hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot Hem vergaderd zijn.

9
כֹּ֖ל חַיְת֣וֹ שָׂדָ֑י אֵתָ֕יוּ לֶ/אֱכֹ֥ל כָּל חַיְת֖וֹ בַּ/יָּֽעַר
STATEN

Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!

10
צפו עִוְרִ֤ים כֻּלָּ/ם֙ לֹ֣א יָדָ֔עוּ כֻּלָּ/ם֙ כְּלָבִ֣ים אִלְּמִ֔ים לֹ֥א יוּכְל֖וּ לִ/נְבֹּ֑חַ הֹזִים֙ שֹֽׁכְבִ֔ים אֹהֲבֵ֖י לָ/נֽוּם צֹפָ֞י/ו
STATEN

Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.

11
וְ/הַ/כְּלָבִ֣ים עַזֵּי נֶ֗פֶשׁ לֹ֤א יָֽדְעוּ֙ שָׂבְעָ֔ה וְ/הֵ֣מָּה רֹעִ֔ים לֹ֥א יָדְע֖וּ הָבִ֑ין כֻּלָּ/ם֙ לְ/דַרְכָּ֣/ם פָּנ֔וּ אִ֥ישׁ לְ/בִצְע֖/וֹ מִ/קָּצֵֽ/הוּ
STATEN

En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.

12
אֵתָ֥יוּ אֶקְחָה יַ֖יִן וְ/נִסְבְּאָ֣ה שֵׁכָ֑ר וְ/הָיָ֤ה כָ/זֶה֙ י֣וֹם מָחָ֔ר גָּד֖וֹל יֶ֥תֶר מְאֹֽד
STATEN

Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.