NEVIIM

Jesaja 7

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֡י בִּ/ימֵ֣י אָ֠חָז בֶּן יוֹתָ֨ם בֶּן עֻזִּיָּ֜הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֗ה עָלָ֣ה רְצִ֣ין מֶֽלֶךְ אֲ֠רָם וּ/פֶ֨קַח בֶּן רְמַלְיָ֤הוּ מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם לַ/מִּלְחָמָ֖ה עָלֶ֑י/הָ וְ/לֹ֥א יָכֹ֖ל לְ/הִלָּחֵ֥ם עָלֶֽי/הָ
STATEN

Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remália, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

2
וַ/יֻּגַּ֗ד לְ/בֵ֤ית דָּוִד֙ לֵ/אמֹ֔ר נָ֥חָֽה אֲרָ֖ם עַל אֶפְרָ֑יִם וַ/יָּ֤נַע לְבָב/וֹ֙ וּ/לְבַ֣ב עַמּ֔/וֹ כְּ/נ֥וֹעַ עֲצֵי יַ֖עַר מִ/פְּנֵי רֽוּחַ
STATEN

Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.

3
וַ/יֹּ֣אמֶר יְהוָה֮ אֶֽל יְשַׁעְיָהוּ֒ צֵא נָא֙ לִ/קְרַ֣את אָחָ֔ז אַתָּ֕ה וּ/שְׁאָ֖ר יָשׁ֣וּב בְּנֶ֑/ךָ אֶל קְצֵ֗ה תְּעָלַת֙ הַ/בְּרֵכָ֣ה הָ/עֶלְיוֹנָ֔ה אֶל מְסִלַּ֖ת שְׂדֵ֥ה כוֹבֵֽס
STATEN

En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;

4
וְ/אָמַרְתָּ֣ אֵ֠לָי/ו הִשָּׁמֵ֨ר וְ/הַשְׁקֵ֜ט אַל תִּירָ֗א וּ/לְבָבְ/ךָ֙ אַל יֵרַ֔ךְ מִ/שְּׁנֵ֨י זַנְב֧וֹת הָ/אוּדִ֛ים הָ/עֲשֵׁנִ֖ים הָ/אֵ֑לֶּה בָּ/חֳרִי אַ֛ף רְצִ֥ין וַ/אֲרָ֖ם וּ/בֶן רְמַלְיָֽהוּ
STATEN

En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriërs, en van den zoon van Remália;

5
יַ֗עַן כִּֽי יָעַ֥ץ עָלֶ֛י/ךָ אֲרָ֖ם רָעָ֑ה אֶפְרַ֥יִם וּ/בֶן רְמַלְיָ֖הוּ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en den zoon van Remália, zeggende:

6
נַעֲלֶ֤ה בִֽ/יהוּדָה֙ וּ/נְקִיצֶ֔/נָּה וְ/נַבְקִעֶ֖/נָּה אֵלֵ֑י/נוּ וְ/נַמְלִ֥יךְ מֶ֨לֶךְ֙ בְּ/תוֹכָ֔/הּ אֵ֖ת בֶּן טָֽבְאַֽל
STATEN

Laat ons optrekken tegen Juda, en haar verdriet aandoen, en haar onder ons delen, en den zoon van Tábeal koning maken in het midden van haar.

7
כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה לֹ֥א תָק֖וּם וְ/לֹ֥א תִֽהְיֶֽה
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden.

8
כִּ֣י רֹ֤אשׁ אֲרָם֙ דַּמֶּ֔שֶׂק וְ/רֹ֥אשׁ דַּמֶּ֖שֶׂק רְצִ֑ין וּ/בְ/ע֗וֹד שִׁשִּׁ֤ים וְ/חָמֵשׁ֙ שָׁנָ֔ה יֵחַ֥ת אֶפְרַ֖יִם מֵ/עָֽם
STATEN

Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.

9
וְ/רֹ֤אשׁ אֶפְרַ֨יִם֙ שֹׁמְר֔וֹן וְ/רֹ֥אשׁ שֹׁמְר֖וֹן בֶּן רְמַלְיָ֑הוּ אִ֚ם לֹ֣א תַאֲמִ֔ינוּ כִּ֖י לֹ֥א תֵאָמֵֽנוּ
STATEN

Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remália het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.

10
וַ/יּ֣וֹסֶף יְהוָ֔ה דַּבֵּ֥ר אֶל אָחָ֖ז לֵ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:

11
שְׁאַל לְ/ךָ֣ א֔וֹת מֵ/עִ֖ם יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֑י/ךָ הַעְמֵ֣ק שְׁאָ֔לָה א֖וֹ הַגְבֵּ֥הַּ לְ/מָֽעְלָ/ה
STATEN

Eis u een teken van den HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.

12
וַ/יֹּ֖אמֶר אָחָ֑ז לֹא אֶשְׁאַ֥ל וְ/לֹֽא אֲנַסֶּ֖ה אֶת יְהוָֽה
STATEN

Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeken.

13
וַ/יֹּ֕אמֶר שִׁמְעוּ נָ֖א בֵּ֣ית דָּוִ֑ד הַ/מְעַ֤ט מִ/כֶּם֙ הַלְא֣וֹת אֲנָשִׁ֔ים כִּ֥י תַלְא֖וּ גַּ֥ם אֶת אֱלֹהָֽ/י
STATEN

Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij, huis van David! is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?

14
לָ֠/כֵן יִתֵּ֨ן אֲדֹנָ֥/י ה֛וּא לָ/כֶ֖ם א֑וֹת הִנֵּ֣ה הָ/עַלְמָ֗ה הָרָה֙ וְ/יֹלֶ֣דֶת בֵּ֔ן וְ/קָרָ֥את שְׁמ֖/וֹ עִמָּ֥נוּ אֵֽל
STATEN

Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.

15
חֶמְאָ֥ה וּ/דְבַ֖שׁ יֹאכֵ֑ל לְ/דַעְתּ֛/וֹ מָא֥וֹס בָּ/רָ֖ע וּ/בָח֥וֹר בַּ/טּֽוֹב
STATEN

Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.

16
כִּ֠י בְּ/טֶ֨רֶם יֵדַ֥ע הַ/נַּ֛עַר מָאֹ֥ס בָּ/רָ֖ע וּ/בָחֹ֣ר בַּ/טּ֑וֹב תֵּעָזֵ֤ב הָ/אֲדָמָה֙ אֲשֶׁ֣ר אַתָּ֣ה קָ֔ץ מִ/פְּנֵ֖י שְׁנֵ֥י מְלָכֶֽי/הָ
STATEN

Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijn twee koningen.

17
יָבִ֨יא יְהוָ֜ה עָלֶ֗י/ךָ וְ/עַֽל עַמְּ/ךָ֮ וְ/עַל בֵּ֣ית אָבִי/ךָ֒ יָמִים֙ אֲשֶׁ֣ר לֹא בָ֔אוּ לְ/מִ/יּ֥וֹם סוּר אֶפְרַ֖יִם מֵ/עַ֣ל יְהוּדָ֑ה אֵ֖ת מֶ֥לֶךְ אַשּֽׁוּר
STATEN

Doch de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door den koning van Assyrië.

18
וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא יִשְׁרֹ֤ק יְהוָה֙ לַ/זְּב֔וּב אֲשֶׁ֥ר בִּ/קְצֵ֖ה יְאֹרֵ֣י מִצְרָ֑יִם וְ/לַ֨/דְּבוֹרָ֔ה אֲשֶׁ֖ר בְּ/אֶ֥רֶץ אַשּֽׁוּר
STATEN

Want het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE zal toesissen de vliegen, die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.

19
וּ/בָ֨אוּ וְ/נָח֤וּ כֻלָּ/ם֙ בְּ/נַחֲלֵ֣י הַ/בַּתּ֔וֹת וּ/בִ/נְקִיקֵ֖י הַ/סְּלָעִ֑ים וּ/בְ/כֹל֙ הַ/נַּ֣עֲצוּצִ֔ים וּ/בְ/כֹ֖ל הַ/נַּהֲלֹלִֽים
STATEN

En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.

20
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֡וּא יְגַלַּ֣ח אֲדֹנָ/י֩ בְּ/תַ֨עַר הַ/שְּׂכִירָ֜ה בְּ/עֶבְרֵ֤י נָהָר֙ בְּ/מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר אֶת הָ/רֹ֖אשׁ וְ/שַׂ֣עַר הָ/רַגְלָ֑יִם וְ/גַ֥ם אֶת הַ/זָּקָ֖ן תִּסְפֶּֽה
STATEN

Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is, door den koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar der voeten; ja, het zal ook den baard gans wegnemen.

21
וְ/הָיָ֖ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֑וּא יְחַיֶּה אִ֛ישׁ עֶגְלַ֥ת בָּקָ֖ר וּ/שְׁתֵּי צֹֽאן
STATEN

En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;

22
וְ/הָיָ֗ה מֵ/רֹ֛ב עֲשׂ֥וֹת חָלָ֖ב יֹאכַ֣ל חֶמְאָ֑ה כִּֽי חֶמְאָ֤ה וּ/דְבַשׁ֙ יֹאכֵ֔ל כָּל הַ/נּוֹתָ֖ר בְּ/קֶ֥רֶב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.

23
וְ/הָיָה֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא יִֽהְיֶ֣ה כָל מָק֗וֹם אֲשֶׁ֧ר יִֽהְיֶה שָּׁ֛ם אֶ֥לֶף גֶּ֖פֶן בְּ/אֶ֣לֶף כָּ֑סֶף לַ/שָּׁמִ֥יר וְ/לַ/שַּׁ֖יִת יִֽהְיֶֽה
STATEN

Ook zal het te dienzelfden dage geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;

24
בַּ/חִצִּ֥ים וּ/בַ/קֶּ֖שֶׁת יָ֣בוֹא שָׁ֑מָּ/ה כִּי שָׁמִ֥יר וָ/שַׁ֖יִת תִּֽהְיֶ֥ה כָל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Dat men met pijlen en met den boog aldaar zal moeten gaan; want het ganse land zal doornen en distelen zijn.

25
וְ/כֹ֣ל הֶ/הָרִ֗ים אֲשֶׁ֤ר בַּ/מַּעְדֵּר֙ יֵעָ֣דֵר֔וּ/ן לֹֽא תָב֣וֹא שָׁ֔מָּ/ה יִרְאַ֖ת שָׁמִ֣יר וָ/שָׁ֑יִת וְ/הָיָה֙ לְ/מִשְׁלַ֣ח שׁ֔וֹר וּ/לְ/מִרְמַ֖ס שֶֽׂה
STATEN

Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen tot inzending van den os, en tot vertreding van het kleinvee.