NEVIIM

Jesaja 9

יְשַׁעְיָה
Hoofdstukken (66)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566
Getuigen
Interlineair
1
הָ/עָם֙ הַ/הֹלְכִ֣ים בַּ/חֹ֔שֶׁךְ רָא֖וּ א֣וֹר גָּד֑וֹל יֹשְׁבֵי֙ בְּ/אֶ֣רֶץ צַלְמָ֔וֶת א֖וֹר נָגַ֥הּ עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

2
ל֖/וֹ הִרְבִּ֣יתָ הַ/גּ֔וֹי לא הִגְדַּ֣לְתָּ הַ/שִּׂמְחָ֑ה שָׂמְח֤וּ לְ/פָנֶ֨י/ךָ֙ כְּ/שִׂמְחַ֣ת בַּ/קָּצִ֔יר כַּ/אֲשֶׁ֥ר יָגִ֖ילוּ בְּ/חַלְּקָ֥/ם שָׁלָֽל
STATEN

Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.

3
כִּ֣י אֶת עֹ֣ל סֻבֳּל֗/וֹ וְ/אֵת֙ מַטֵּ֣ה שִׁכְמ֔/וֹ שֵׁ֖בֶט הַ/נֹּגֵ֣שׂ בּ֑/וֹ הַחִתֹּ֖תָ כְּ/י֥וֹם מִדְיָֽן
STATEN

Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;

4
כִּ֤י כָל סְאוֹן֙ סֹאֵ֣ן בְּ/רַ֔עַשׁ וְ/שִׂמְלָ֖ה מְגוֹלָלָ֣ה בְ/דָמִ֑ים וְ/הָיְתָ֥ה לִ/שְׂרֵפָ֖ה מַאֲכֹ֥לֶת אֵֽשׁ
STATEN

Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.

5
כִּי יֶ֣לֶד יֻלַּד לָ֗/נוּ בֵּ֚ן נִתַּן לָ֔/נוּ וַ/תְּהִ֥י הַ/מִּשְׂרָ֖ה עַל שִׁכְמ֑/וֹ וַ/יִּקְרָ֨א שְׁמ֜/וֹ פֶּ֠לֶא יוֹעֵץ֙ אֵ֣ל גִּבּ֔וֹר אֲבִי עַ֖ד שַׂר שָׁלֽוֹם
STATEN

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;

6
לְ/מַרְבֵּ֨ה ל/םרבה הַ/מִּשְׂרָ֜ה וּ/לְ/שָׁל֣וֹם אֵֽין קֵ֗ץ עַל כִּסֵּ֤א דָוִד֙ וְ/עַל מַמְלַכְתּ֔/וֹ לְ/הָכִ֤ין אֹתָ/הּ֙ וּֽ/לְ/סַעֲדָ֔/הּ בְּ/מִשְׁפָּ֖ט וּ/בִ/צְדָקָ֑ה מֵ/עַתָּה֙ וְ/עַד עוֹלָ֔ם קִנְאַ֛ת יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת תַּעֲשֶׂה זֹּֽאת
STATEN

Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.

7
דָּבָ֛ר שָׁלַ֥ח אֲדֹנָ֖/י בְּ/יַעֲקֹ֑ב וְ/נָפַ֖ל בְּ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël.

8
וְ/יָדְעוּ֙ הָ/עָ֣ם כֻּלּ֔/וֹ אֶפְרַ֖יִם וְ/יוֹשֵׁ֣ב שֹׁמְר֑וֹן בְּ/גַאֲוָ֛ה וּ/בְ/גֹ֥דֶל לֵבָ֖ב לֵ/אמֹֽר
STATEN

En al dit volk zal het gewaar worden, Efraïm en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggende:

9
לְבֵנִ֥ים נָפָ֖לוּ וְ/גָזִ֣ית נִבְנֶ֑ה שִׁקְמִ֣ים גֻּדָּ֔עוּ וַ/אֲרָזִ֖ים נַחֲלִֽיף
STATEN

De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;

10
וַ/יְשַׂגֵּ֧ב יְהוָ֛ה אֶת צָרֵ֥י רְצִ֖ין עָלָ֑י/ו וְ/אֶת אֹיְבָ֖י/ו יְסַכְסֵֽךְ
STATEN

Want de HEERE zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen:

11
אֲרָ֣ם מִ/קֶּ֗דֶם וּ/פְלִשְׁתִּים֙ מֵֽ/אָח֔וֹר וַ/יֹּאכְל֥וּ אֶת יִשְׂרָאֵ֖ל בְּ/כָל פֶּ֑ה בְּ/כָל זֹאת֙ לֹא שָׁ֣ב אַפּ֔/וֹ וְ/ע֖וֹד יָד֥/וֹ נְטוּיָֽה
STATEN

De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

12
וְ/הָ/עָ֥ם לֹא שָׁ֖ב עַד הַ/מַּכֵּ֑/הוּ וְ/אֶת יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת לֹ֥א דָרָֽשׁוּ
STATEN

Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.

13
וַ/יַּכְרֵ֨ת יְהוָ֜ה מִ/יִּשְׂרָאֵ֗ל רֹ֧אשׁ וְ/זָנָ֛ב כִּפָּ֥ה וְ/אַגְמ֖וֹן י֥וֹם אֶחָֽד
STATEN

Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israël den kop en den staart, den tak en de bieze, op één dag.

14
זָקֵ֥ן וּ/נְשׂוּא פָנִ֖ים ה֣וּא הָ/רֹ֑אשׁ וְ/נָבִ֥יא מֽוֹרֶה שֶּׁ֖קֶר ה֥וּא הַ/זָּנָֽב
STATEN

(De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.)

15
וַ/יִּֽהְי֛וּ מְאַשְּׁרֵ֥י הָֽ/עָם הַ/זֶּ֖ה מַתְעִ֑ים וּ/מְאֻשָּׁרָ֖י/ו מְבֻלָּעִֽים
STATEN

Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.

16
עַל כֵּ֨ן עַל בַּחוּרָ֜י/ו לֹֽא יִשְׂמַ֣ח אֲדֹנָ֗/י וְ/אֶת יְתֹמָ֤י/ו וְ/אֶת אַלְמְנֹתָי/ו֙ לֹ֣א יְרַחֵ֔ם כִּ֤י כֻלּ/וֹ֙ חָנֵ֣ף וּ/מֵרַ֔ע וְ/כָל פֶּ֖ה דֹּבֵ֣ר נְבָלָ֑ה בְּ/כָל זֹאת֙ לֹא שָׁ֣ב אַפּ֔/וֹ וְ/ע֖וֹד יָד֥/וֹ נְטוּיָֽה
STATEN

Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.

17
כִּֽי בָעֲרָ֤ה כָ/אֵשׁ֙ רִשְׁעָ֔ה שָׁמִ֥יר וָ/שַׁ֖יִת תֹּאכֵ֑ל וַ/תִּצַּת֙ בְּ/סִֽבְכֵ֣י הַ/יַּ֔עַר וַ/יִּֽתְאַבְּכ֖וּ גֵּא֥וּת עָשָֽׁן
STATEN

Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.

18
בְּ/עֶבְרַ֛ת יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת נֶעְתַּ֣ם אָ֑רֶץ וַ/יְהִ֤י הָ/עָם֙ כְּ/מַאֲכֹ֣לֶת אֵ֔שׁ אִ֥ישׁ אֶל אָחִ֖י/ו לֹ֥א יַחְמֹֽלוּ
STATEN

Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.

19
וַ/יִּגְזֹ֤ר עַל יָמִין֙ וְ/רָעֵ֔ב וַ/יֹּ֥אכַל עַל שְׂמֹ֖אול וְ/לֹ֣א שָׂבֵ֑עוּ אִ֥ישׁ בְּשַׂר זְרֹע֖/וֹ יֹאכֵֽלוּ
STATEN

Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;

20
מְנַשֶּׁ֣ה אֶת אֶפְרַ֗יִם וְ/אֶפְרַ֨יִם֙ אֶת מְנַשֶּׁ֔ה יַחְדָּ֥ו הֵ֖מָּה עַל יְהוּדָ֑ה בְּ/כָל זֹאת֙ לֹא שָׁ֣ב אַפּ֔/וֹ וְ/ע֖וֹד יָד֥/וֹ נְטוּיָֽה
STATEN

Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.