NEVIIM

Jeremia 10

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
שִׁמְע֣וּ אֶת הַ/דָּבָ֗ר אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֧ר יְהוָ֛ה עֲלֵי/כֶ֖ם בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls!

2
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אֶל דֶּ֤רֶךְ הַ/גּוֹיִם֙ אַל תִּלְמָ֔דוּ וּ/מֵ/אֹת֥וֹת הַ/שָּׁמַ֖יִם אַל תֵּחָ֑תּוּ כִּֽי יֵחַ֥תּוּ הַ/גּוֹיִ֖ם מֵ/הֵֽמָּה
STATEN

Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.

3
כִּֽי חֻקּ֥וֹת הָֽ/עַמִּ֖ים הֶ֣בֶל ה֑וּא כִּֽי עֵץ֙ מִ/יַּ֣עַר כְּרָת֔/וֹ מַעֲשֵׂ֥ה יְדֵ֥י חָרָ֖שׁ בַּֽ/מַּעֲצָֽד
STATEN

Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.

4
בְּ/כֶ֥סֶף וּ/בְ/זָהָ֖ב יְיַפֵּ֑/הוּ בְּ/מַסְמְר֧וֹת וּ/בְ/מַקָּב֛וֹת יְחַזְּק֖וּ/ם וְ/ל֥וֹא יָפִֽיק
STATEN

Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.

5
כְּ/תֹ֨מֶר מִקְשָׁ֥ה הֵ֨מָּה֙ וְ/לֹ֣א יְדַבֵּ֔רוּ נָשׂ֥וֹא יִנָּשׂ֖וּא כִּ֣י לֹ֣א יִצְעָ֑דוּ אַל תִּֽירְא֤וּ מֵ/הֶם֙ כִּי לֹ֣א יָרֵ֔עוּ וְ/גַם הֵיטֵ֖יב אֵ֥ין אוֹתָֽ/ם
STATEN

Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook zo is er geen goeddoen bij hen.

6
מֵ/אֵ֥ין כָּמ֖וֹ/ךָ יְהוָ֑ה גָּד֥וֹל אַתָּ֛ה וְ/גָד֥וֹל שִׁמְ/ךָ֖ בִּ/גְבוּרָֽה
STATEN

Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.

7
מִ֣י לֹ֤א יִֽרָאֲ/ךָ֙ מֶ֣לֶךְ הַ/גּוֹיִ֔ם כִּ֥י לְ/ךָ֖ יָאָ֑תָה כִּ֣י בְ/כָל חַכְמֵ֧י הַ/גּוֹיִ֛ם וּ/בְ/כָל מַלְכוּתָ֖/ם מֵ/אֵ֥ין כָּמֽוֹ/ךָ
STATEN

Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.

8
וּ/בְ/אַחַ֖ת יִבְעֲר֣וּ וְ/יִכְסָ֑לוּ מוּסַ֥ר הֲבָלִ֖ים עֵ֥ץ הֽוּא
STATEN

In één ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.

9
כֶּ֣סֶף מְרֻקָּ֞ע מִ/תַּרְשִׁ֣ישׁ יוּבָ֗א וְ/זָהָב֙ מֵֽ/אוּפָ֔ז מַעֲשֵׂ֥ה חָרָ֖שׁ וִ/ידֵ֣י צוֹרֵ֑ף תְּכֵ֤לֶת וְ/אַרְגָּמָן֙ לְבוּשָׁ֔/ם מַעֲשֵׂ֥ה חֲכָמִ֖ים כֻּלָּֽ/ם
STATEN

Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.

10
וַֽ/יהוָ֤ה אֱלֹהִים֙ אֱמֶ֔ת הֽוּא אֱלֹהִ֥ים חַיִּ֖ים וּ/מֶ֣לֶךְ עוֹלָ֑ם מִ/קִּצְפּ/וֹ֙ תִּרְעַ֣שׁ הָ/אָ֔רֶץ וְ/לֹֽא יָכִ֥לוּ גוֹיִ֖ם זַעְמֽ/וֹ
STATEN

Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.

11
כִּ/דְנָה֙ תֵּאמְר֣וּן לְ/ה֔וֹם אֱלָ֣הַיָּ֔/א דִּֽי שְׁמַיָּ֥/א וְ/אַרְקָ֖/א לָ֣א עֲבַ֑דוּ יֵאבַ֧דוּ מֵֽ/אַרְעָ֛/א וּ/מִן תְּח֥וֹת שְׁמַיָּ֖/א אֵֽלֶּה
STATEN

(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)

12
עֹשֵׂ֥ה אֶ֨רֶץ֙ בְּ/כֹח֔/וֹ מֵכִ֥ין תֵּבֵ֖ל בְּ/חָכְמָת֑/וֹ וּ/בִ/תְבוּנָת֖/וֹ נָטָ֥ה שָׁמָֽיִם
STATEN

Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.

13
לְ/ק֨וֹל תִּתּ֜/וֹ הֲמ֥וֹן מַ֨יִם֙ בַּ/שָּׁמַ֔יִם וַ/יַּעֲלֶ֥ה נְשִׂאִ֖ים מִ/קְצֵ֣ה ארץ בְּרָקִ֤ים לַ/מָּטָר֙ עָשָׂ֔ה וַ/יּ֥וֹצֵא ר֖וּחַ מֵ/אֹצְרֹתָֽי/ו הָ/אָ֑רֶץ
STATEN

Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

14
נִבְעַ֤ר כָּל אָדָם֙ מִ/דַּ֔עַת הֹבִ֥ישׁ כָּל צוֹרֵ֖ף מִ/פָּ֑סֶל כִּ֛י שֶׁ֥קֶר נִסְכּ֖/וֹ וְ/לֹא ר֥וּחַ בָּֽ/ם
STATEN

Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.

15
הֶ֣בֶל הֵ֔מָּה מַעֲשֵׂ֖ה תַּעְתֻּעִ֑ים בְּ/עֵ֥ת פְּקֻדָּתָ֖/ם יֹאבֵֽדוּ
STATEN

IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.

16
לֹֽא כְ/אֵ֜לֶּה חֵ֣לֶק יַעֲקֹ֗ב כִּֽי יוֹצֵ֤ר הַ/כֹּל֙ ה֔וּא וְ/יִ֨שְׂרָאֵ֔ל שֵׁ֖בֶט נַֽחֲלָת֑/וֹ יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת שְׁמֽ/וֹ
STATEN

Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

17
אִסְפִּ֥י מֵ/אֶ֖רֶץ כִּנְעָתֵ֑/ךְ ישבתי בַּ/מָּצֽוֹר יֹשֶׁ֖בֶת
STATEN

Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!

18
כִּֽי כֹה֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הִנְ/נִ֥י קוֹלֵ֛עַ אֶת יוֹשְׁבֵ֥י הָ/אָ֖רֶץ בַּ/פַּ֣עַם הַ/זֹּ֑את וַ/הֲצֵר֥וֹתִי לָ/הֶ֖ם לְמַ֥עַן יִמְצָֽאוּ
STATEN

Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.

19
א֥וֹי לִ/י֙ עַל שִׁבְרִ֔/י נַחְלָ֖ה מַכָּתִ֑/י וַ/אֲנִ֣י אָמַ֔רְתִּי אַ֛ךְ זֶ֥ה חֳלִ֖י וְ/אֶשָּׂאֶֽ/נּוּ
STATEN

O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!

20
אָהֳלִ֣/י שֻׁדָּ֔ד וְ/כָל מֵיתָרַ֖/י נִתָּ֑קוּ בָּנַ֤/י יְצָאֻ֨/נִי֙ וְ/אֵינָ֔/ם אֵין נֹטֶ֥ה עוֹד֙ אָהֳלִ֔/י וּ/מֵקִ֖ים יְרִיעוֹתָֽ/י
STATEN

Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.

21
כִּ֤י נִבְעֲרוּ֙ הָֽ/רֹעִ֔ים וְ/אֶת יְהוָ֖ה לֹ֣א דָרָ֑שׁוּ עַל כֵּן֙ לֹ֣א הִשְׂכִּ֔ילוּ וְ/כָל מַרְעִיתָ֖/ם נָפֽוֹצָה
STATEN

Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.

22
ק֤וֹל שְׁמוּעָה֙ הִנֵּ֣ה בָאָ֔ה וְ/רַ֥עַשׁ גָּד֖וֹל מֵ/אֶ֣רֶץ צָפ֑וֹן לָ/שׂ֞וּם אֶת עָרֵ֧י יְהוּדָ֛ה שְׁמָמָ֖ה מְע֥וֹן תַּנִּֽים
STATEN

Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.

23
יָדַ֣עְתִּי יְהוָ֔ה כִּ֛י לֹ֥א לָ/אָדָ֖ם דַּרְכּ֑/וֹ לֹֽא לְ/אִ֣ישׁ הֹלֵ֔ךְ וְ/הָכִ֖ין אֶֽת צַעֲדֽ/וֹ
STATEN

Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

24
יַסְּרֵ֥/נִי יְהוָ֖ה אַךְ בְּ/מִשְׁפָּ֑ט אַל בְּ/אַפְּ/ךָ֖ פֶּן תַּמְעִטֵֽ/נִי
STATEN

Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

25
שְׁפֹ֣ךְ חֲמָתְ/ךָ֗ עַל הַ/גּוֹיִם֙ אֲשֶׁ֣ר לֹֽא יְדָע֔וּ/ךָ וְ/עַל֙ מִשְׁפָּח֔וֹת אֲשֶׁ֥ר בְּ/שִׁמְ/ךָ֖ לֹ֣א קָרָ֑אוּ כִּֽי אָכְל֣וּ אֶֽת יַעֲקֹ֗ב וַ/אֲכָלֻ֨/הוּ֙ וַ/יְכַלֻּ֔/הוּ וְ/אֶת נָוֵ֖/הוּ הֵשַֽׁמּוּ
STATEN

Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.