NEVIIM

Jeremia 44

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
הַ/דָּבָר֙ אֲשֶׁ֣ר הָיָ֣ה אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ אֶ֚ל כָּל הַ/יְּהוּדִ֔ים הַ/יֹּשְׁבִ֖ים בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הַ/יֹּשְׁבִ֤ים בְּ/מִגְדֹּל֙ וּ/בְ/תַחְפַּנְחֵ֣ס וּ/בְ/נֹ֔ף וּ/בְ/אֶ֥רֶץ פַּתְר֖וֹס לֵ/אמֹֽר
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:

2
כֹּה אָמַ֞ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אַתֶּ֣ם רְאִיתֶ֗ם אֵ֤ת כָּל הָֽ/רָעָה֙ אֲשֶׁ֤ר הֵבֵ֨אתִי֙ עַל יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/עַ֖ל כָּל עָרֵ֣י יְהוּדָ֑ה וְ/הִנָּ֤/ם חָרְבָּה֙ הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וְ/אֵ֥ין בָּ/הֶ֖ם יוֹשֵֽׁב
STATEN

Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid te deze dage, en niemand woont daarin;

3
מִ/פְּנֵ֣י רָעָתָ֗/ם אֲשֶׁ֤ר עָשׂוּ֙ לְ/הַכְעִסֵ֔/נִי לָ/לֶ֣כֶת לְ/קַטֵּ֔ר לַ/עֲבֹ֖ד לֵ/אלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֑ים אֲשֶׁר֙ לֹ֣א יְדָע֔וּ/ם הֵ֖מָּה אַתֶּ֥ם וַ/אֲבֹתֵי/כֶֽם
STATEN

Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, gij, noch uw vaders.

4
וָ/אֶשְׁלַ֤ח אֲלֵי/כֶם֙ אֶת כָּל עֲבָדַ֣/י הַ/נְּבִיאִ֔ים הַשְׁכֵּ֥ים וְ/שָׁלֹ֖חַ לֵ/אמֹ֑ר אַל נָ֣א תַעֲשׂ֗וּ אֵ֛ת דְּבַֽר הַ/תֹּעֵבָ֥ה הַ/זֹּ֖את אֲשֶׁ֥ר שָׂנֵֽאתִי
STATEN

En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.

5
וְ/לֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ וְ/לֹא הִטּ֣וּ אֶת אָזְנָ֔/ם לָ/שׁ֖וּב מֵ/רָֽעָתָ֑/ם לְ/בִלְתִּ֥י קַטֵּ֖ר לֵ/אלֹהִ֥ים אֲחֵרִֽים
STATEN

Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.

6
וַ/תִּתַּ֤ךְ חֲמָתִ/י֙ וְ/אַפִּ֔/י וַ/תִּבְעַר֙ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֖וֹת יְרֽוּשָׁלִָ֑ם וַ/תִּהְיֶ֛ינָה לְ/חָרְבָּ֥ה לִ/שְׁמָמָ֖ה כַּ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.

7
וְ/עַתָּ֡ה כֹּֽה אָמַ֣ר יְהוָה֩ אֱלֹהֵ֨י צְבָא֜וֹת אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל לָ/מָה֩ אַתֶּ֨ם עֹשִׂ֜ים רָעָ֤ה גְדוֹלָה֙ אֶל נַפְשֹׁ֣תֵ/כֶ֔ם לְ/הַכְרִ֨ית לָ/כֶ֧ם אִישׁ וְ/אִשָּׁ֛ה עוֹלֵ֥ל וְ/יוֹנֵ֖ק מִ/תּ֣וֹךְ יְהוּדָ֑ה לְ/בִלְתִּ֛י הוֹתִ֥יר לָ/כֶ֖ם שְׁאֵרִֽית
STATEN

En nu, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat?

8
לְ/הַכְעִסֵ֨/נִי֙ בְּ/מַעֲשֵׂ֣י יְדֵי/כֶ֔ם לְ/קַטֵּ֞ר לֵ/אלֹהִ֤ים אֲחֵרִים֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם אֲשֶׁר אַתֶּ֥ם בָּאִ֖ים לָ/ג֣וּר שָׁ֑ם לְמַ֨עַן֙ הַכְרִ֣ית לָ/כֶ֔ם וּ/לְמַ֤עַן הֱיֽוֹתְ/כֶם֙ לִ/קְלָלָ֣ה וּ/לְ/חֶרְפָּ֔ה בְּ/כֹ֖ל גּוֹיֵ֥י הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Tergende Mij door de werken uwer handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat gij uzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken der aarde?

9
הַֽ/שְׁכַחְתֶּם֩ אֶת רָע֨וֹת אֲבוֹתֵי/כֶ֜ם וְ/אֶת רָע֣וֹת מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֗ה וְ/אֵת֙ רָע֣וֹת נָשָׁ֔י/ו וְ/אֵת֙ רָעֹ֣תֵ/כֶ֔ם וְ/אֵ֖ת רָעֹ֣ת נְשֵׁי/כֶ֑ם אֲשֶׁ֤ר עָשׂוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֖וֹת יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?

10
לֹ֣א דֻכְּא֔וּ עַ֖ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וְ/לֹ֣א יָרְא֗וּ וְ/לֹֽא הָלְכ֤וּ בְ/תֽוֹרָתִ/י֙ וּ/בְ/חֻקֹּתַ֔/י אֲשֶׁר נָתַ֥תִּי לִ/פְנֵי/כֶ֖ם וְ/לִ/פְנֵ֥י אֲבוֹתֵי/כֶֽם
STATEN

Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb.

11
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֞ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הִנְ/נִ֨י שָׂ֥ם פָּנַ֛/י בָּ/כֶ֖ם לְ/רָעָ֑ה וּ/לְ/הַכְרִ֖ית אֶת כָּל יְהוּדָֽה
STATEN

Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.

12
וְ/לָקַחְתִּ֞י אֶת שְׁאֵרִ֣ית יְהוּדָ֗ה אֲשֶׁר שָׂ֨מוּ פְנֵי/הֶ֜ם לָ/ב֣וֹא אֶֽרֶץ מִצְרַיִם֮ לָ/ג֣וּר שָׁם֒ וְ/תַ֨מּוּ כֹ֜ל בְּ/אֶ֧רֶץ מִצְרַ֣יִם יִפֹּ֗לוּ בַּ/חֶ֤רֶב בָּֽ/רָעָב֙ יִתַּ֔מּוּ מִ/קָּטֹן֙ וְ/עַד גָּד֔וֹל בַּ/חֶ֥רֶב וּ/בָ/רָעָ֖ב יָמֻ֑תוּ וְ/הָיוּ֙ לְ/אָלָ֣ה לְ/שַׁמָּ֔ה וְ/לִ/קְלָלָ֖ה וּ/לְ/חֶרְפָּֽה
STATEN

En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid.

13
וּ/פָקַדְתִּ֗י עַ֤ל הַ/יּֽוֹשְׁבִים֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם כַּ/אֲשֶׁ֥ר פָּקַ֖דְתִּי עַל יְרֽוּשָׁלִָ֑ם בַּ/חֶ֥רֶב בָּ/רָעָ֖ב וּ/בַ/דָּֽבֶר
STATEN

Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie;

14
וְ/לֹ֨א יִהְיֶ֜ה פָּלִ֤יט וְ/שָׂרִיד֙ לִ/שְׁאֵרִ֣ית יְהוּדָ֔ה הַ/בָּאִ֥ים לָ/גֽוּר שָׁ֖ם בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/לָ/שׁ֣וּב אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֗ה אֲשֶׁר הֵ֜מָּה מְנַשְּׂאִ֤ים אֶת נַפְשָׁ/ם֙ לָ/שׁוּב֙ לָ/שֶׁ֣בֶת שָׁ֔ם כִּ֥י לֹֽא יָשׁ֖וּבוּ כִּ֥י אִם פְּלֵטִֽים
STATEN

Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weder te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weder te keren, om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeren, behalve die ontkomen zullen.

15
וַ/יַּעֲנ֣וּ אֶֽת יִרְמְיָ֗הוּ כָּל הָ/אֲנָשִׁ֤ים הַ/יֹּֽדְעִים֙ כִּֽי מְקַטְּר֤וֹת נְשֵׁי/הֶם֙ לֵ/אלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים וְ/כָל הַ/נָּשִׁ֥ים הָ/עֹמְד֖וֹת קָהָ֣ל גָּד֑וֹל וְ/כָל הָ/עָ֛ם הַ/יֹּשְׁבִ֥ים בְּ/אֶֽרֶץ מִצְרַ֖יִם בְּ/פַתְר֥וֹס לֵ/אמֹֽר
STATEN

Toen antwoordden aan Jeremía al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:

16
הַ/דָּבָ֛ר אֲשֶׁר דִּבַּ֥רְתָּ אֵלֵ֖י/נוּ בְּ/שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה אֵינֶ֥/נּוּ שֹׁמְעִ֖ים אֵלֶֽי/ךָ
STATEN

Aangaande het woord, dat gij tot ons in des HEEREN Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.

17
כִּ֩י עָשֹׂ֨ה נַעֲשֶׂ֜ה אֶֽת כָּל הַ/דָּבָ֣ר אֲשֶׁר יָצָ֣א מִ/פִּ֗י/נוּ לְ/קַטֵּ֞ר לִ/מְלֶ֣כֶת הַ/שָּׁמַיִם֮ וְ/הַסֵּֽיךְ לָ֣/הּ נְסָכִים֒ כַּ/אֲשֶׁ֨ר עָשִׂ֜ינוּ אֲנַ֤חְנוּ וַ/אֲבֹתֵ֨י/נוּ֙ מְלָכֵ֣י/נוּ וְ/שָׂרֵ֔י/נוּ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֖וֹת יְרוּשָׁלִָ֑ם וַ/נִּֽשְׂבַּֽע לֶ֨חֶם֙ וַ/נִּֽהְיֶ֣ה טוֹבִ֔ים וְ/רָעָ֖ה לֹ֥א רָאִֽינוּ
STATEN

Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rokende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.

18
וּ/מִן אָ֡ז חָדַ֜לְנוּ לְ/קַטֵּ֨ר לִ/מְלֶ֧כֶת הַ/שָּׁמַ֛יִם וְ/הַסֵּֽךְ לָ֥/הּ נְסָכִ֖ים חָסַ֣רְנוּ כֹ֑ל וּ/בַ/חֶ֥רֶב וּ/בָ/רָעָ֖ב תָּֽמְנוּ
STATEN

Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melécheth des hemels te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.

19
וְ/כִֽי אֲנַ֤חְנוּ מְקַטְּרִים֙ לִ/מְלֶ֣כֶת הַ/שָּׁמַ֔יִם וּ/לְ/הַסֵּ֥ךְ לָ֖/הּ נְסָכִ֑ים הֲ/מִֽ/בַּלְעֲדֵ֣י אֲנָשֵׁ֗י/נוּ עָשִׂ֨ינוּ לָ֤/הּ כַּוָּנִים֙ לְ/הַ֣עֲצִבָ֔/ה וְ/הַסֵּ֥ךְ לָ֖/הּ נְסָכִֽים
STATEN

Ook wanneer wij aan Melécheth des hemels roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?

20
וַ/יֹּ֥אמֶר יִרְמְיָ֖הוּ אֶל כָּל הָ/עָ֑ם עַל הַ/גְּבָרִ֤ים וְ/עַל הַ/נָּשִׁים֙ וְ/עַל כָּל הָ/עָ֔ם הָ/עֹנִ֥ים אֹת֛/וֹ דָּבָ֖ר לֵ/אמֹֽר
STATEN

Toen sprak Jeremía tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem zulks geantwoord hadden, zeggende:

21
הֲ/ל֣וֹא אֶת הַ/קִּטֵּ֗ר אֲשֶׁ֨ר קִטַּרְתֶּ֜ם בְּ/עָרֵ֤י יְהוּדָה֙ וּ/בְ/חֻצ֣וֹת יְרוּשָׁלִַ֔ם אַתֶּ֧ם וַ/אֲבֽוֹתֵי/כֶ֛ם מַלְכֵי/כֶ֥ם וְ/שָׂרֵי/כֶ֖ם וְ/עַ֣ם הָ/אָ֑רֶץ אֹתָ/ם֙ זָכַ֣ר יְהוָ֔ה וַֽ/תַּעֲלֶ֖ה עַל לִבּֽ/וֹ
STATEN

Het roken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk des lands, heeft de HEERE daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?

22
וְ/לֹֽא יוּכַל֩ יְהוָ֨ה ע֜וֹד לָ/שֵׂ֗את מִ/פְּנֵי֙ רֹ֣עַ מַעַלְלֵי/כֶ֔ם מִ/פְּנֵ֥י הַ/תּוֹעֵבֹ֖ת אֲשֶׁ֣ר עֲשִׂיתֶ֑ם וַ/תְּהִ֣י אַ֠רְצְ/כֶם לְ/חָרְבָּ֨ה וּ/לְ/שַׁמָּ֧ה וְ/לִ/קְלָלָ֛ה מֵ/אֵ֥ין יוֹשֵׁ֖ב כְּ/הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

Zodat het de HEERE niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen, die gij deedt; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage;

23
מִ/פְּנֵי֩ אֲשֶׁ֨ר קִטַּרְתֶּ֜ם וַ/אֲשֶׁ֧ר חֲטָאתֶ֣ם לַ/יהוָ֗ה וְ/לֹ֤א שְׁמַעְתֶּם֙ בְּ/ק֣וֹל יְהוָ֔ה וּ/בְ/תֹרָת֧/וֹ וּ/בְ/חֻקֹּתָ֛י/ו וּ/בְ/עֵדְוֺתָ֖י/ו לֹ֣א הֲלַכְתֶּ֑ם עַל כֵּ֞ן קָרָ֥את אֶתְ/כֶ֛ם הָ/רָעָ֥ה הַ/זֹּ֖את כַּ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה
STATEN

Vanwege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den HEERE gezondigd hebt, en des HEEREN stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in Zijn wet en in Zijn inzettingen, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.

24
וַ/יֹּ֤אמֶר יִרְמְיָ֨הוּ֙ אֶל כָּל הָ/עָ֔ם וְ/אֶ֖ל כָּל הַ/נָּשִׁ֑ים שִׁמְעוּ֙ דְּבַר יְהוָ֔ה כָּל יְהוּדָ֕ה אֲשֶׁ֖ר בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Voorts zeide Jeremía tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland zijt!

25
כֹּֽה אָמַ֣ר יְהוָֽה צְבָאוֹת֩ אֱלֹהֵ֨י יִשְׂרָאֵ֜ל לֵ/אמֹ֗ר אַתֶּ֨ם וּ/נְשֵׁי/כֶ֜ם וַ/תְּדַבֵּ֣רְנָה בְּ/פִי/כֶם֮ וּ/בִ/ידֵי/כֶ֣ם מִלֵּאתֶ֣ם לֵ/אמֹר֒ עָשֹׂ֨ה נַעֲשֶׂ֜ה אֶת נְדָרֵ֗י/נוּ אֲשֶׁ֤ר נָדַ֨רְנוּ֙ לְ/קַטֵּר֙ לִ/מְלֶ֣כֶת הַ/שָּׁמַ֔יִם וּ/לְ/הַסֵּ֥ךְ לָ֖/הּ נְסָכִ֑ים הָקֵ֤ים תָּקִ֨ימְנָה֙ אֶת נִדְרֵי/כֶ֔ם וְ/עָשֹׂ֥ה תַעֲשֶׂ֖ינָה אֶת נִדְרֵי/כֶֽם
STATEN

Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.

26
לָ/כֵן֙ שִׁמְע֣וּ דְבַר יְהוָ֔ה כָּל יְהוּדָ֕ה הַ/יֹּשְׁבִ֖ים בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הִנְ/נִ֨י נִשְׁבַּ֜עְתִּי בִּ/שְׁמִ֤/י הַ/גָּדוֹל֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה אִם יִהְיֶה֩ ע֨וֹד שְׁמִ֜/י נִקְרָ֣א בְּ/פִ֣י כָּל אִ֣ישׁ יְהוּדָ֗ה אֹמֵ֛ר חַי אֲדֹנָ֥/י יְהוִ֖ה בְּ/כָל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Daarom hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijn groten Naam, zegt de HEERE, zo Mijn Naam met den mond van enig man van Juda in gans Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heere HEERE leeft!

27
הִנְ/נִ֨י שֹׁקֵ֧ד עֲלֵי/הֶ֛ם לְ/רָעָ֖ה וְ/לֹ֣א לְ/טוֹבָ֑ה וְ/תַמּוּ֩ כָל אִ֨ישׁ יְהוּדָ֜ה אֲשֶׁ֧ר בְּ/אֶֽרֶץ מִצְרַ֛יִם בַּ/חֶ֥רֶב וּ/בָ/רָעָ֖ב עַד כְּלוֹתָֽ/ם
STATEN

Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.

28
וּ/פְלִיטֵ֨י חֶ֜רֶב יְשֻׁב֨וּ/ן מִן אֶ֧רֶץ מִצְרַ֛יִם אֶ֥רֶץ יְהוּדָ֖ה מְתֵ֣י מִסְפָּ֑ר וְֽ/יָדְע֞וּ כָּל שְׁאֵרִ֣ית יְהוּדָ֗ה הַ/בָּאִ֤ים לְ/אֶֽרֶץ מִצְרַ֨יִם֙ לָ/ג֣וּר שָׁ֔ם דְּבַר מִ֥י יָק֖וּם מִמֶּ֥/נִּי וּ/מֵ/הֶֽם
STATEN

Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het ganse overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.

29
וְ/זֹאת לָ/כֶ֤ם הָ/אוֹת֙ נְאֻם יְהוָ֔ה כִּֽי פֹקֵ֥ד אֲנִ֛י עֲלֵי/כֶ֖ם בַּ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֑ה לְמַ֨עַן֙ תֵּֽדְע֔וּ כִּי֩ ק֨וֹם יָק֧וּמוּ דְבָרַ֛/י עֲלֵי/כֶ֖ם לְ/רָעָֽה
STATEN

En dit zal ulieden het teken zijn, spreekt de HEERE, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat gij weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade;

30
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה הִנְ/נִ֣י נֹ֠תֵן אֶת פַּרְעֹ֨ה חָפְרַ֤ע מֶֽלֶךְ מִצְרַ֨יִם֙ בְּ/יַ֣ד אֹֽיְבָ֔י/ו וּ/בְ/יַ֖ד מְבַקְשֵׁ֣י נַפְשׁ֑/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֨ר נָתַ֜תִּי אֶת צִדְקִיָּ֣הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֗ה בְּ/יַ֨ד נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֛ל אֹיְב֖/וֹ וּ/מְבַקֵּ֥שׁ נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal Faraö Hofra, den koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekía, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.