Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 15

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֵלַ֔/י אִם יַעֲמֹ֨ד מֹשֶׁ֤ה וּ/שְׁמוּאֵל֙ לְ/פָנַ֔/י אֵ֥ין נַפְשִׁ֖/י אֶל הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֑ה שַׁלַּ֥ח מֵֽ/עַל פָּנַ֖/י וְ/יֵצֵֽאוּ־־־׃
STATEN

Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.

2
וְ/הָיָ֛ה כִּֽי יֹאמְר֥וּ אֵלֶ֖י/ךָ אָ֣נָה נֵצֵ֑א וְ/אָמַרְתָּ֨ אֲלֵי/הֶ֜ם כֹּֽה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אֲשֶׁ֨ר לַ/מָּ֤וֶת לַ/מָּ֨וֶת֙ וַ/אֲשֶׁ֤ר לַ/חֶ֨רֶב֙ לַ/חֶ֔רֶב וַ/אֲשֶׁ֤ר לָֽ/רָעָב֙ לָֽ/רָעָ֔ב וַ/אֲשֶׁ֥ר לַ/שְּׁבִ֖י לַ/שֶּֽׁבִי־־׃
STATEN

En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde; en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!

3
וּ/פָקַדְתִּ֨י עֲלֵי/הֶ֜ם אַרְבַּ֤ע מִשְׁפָּחוֹת֙ נְאֻם יְהוָ֔ה אֶת הַ/חֶ֣רֶב לַֽ/הֲרֹ֔ג וְ/אֶת הַ/כְּלָבִ֖ים לִ/סְחֹ֑ב וְ/אֶת ע֧וֹף הַ/שָּׁמַ֛יִם וְ/אֶת בֶּהֱמַ֥ת הָ/אָ֖רֶץ לֶ/אֱכֹ֥ל וּ/לְ/הַשְׁחִֽית־־־־־׃
STATEN

Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en te verderven.

4
וּ/נְתַתִּ֣י/ם ל/זועה לְ/כֹ֖ל מַמְלְכ֣וֹת הָ/אָ֑רֶץ בִּ֠/גְלַל מְנַשֶּׁ֤ה בֶן יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֔ה עַ֥ל אֲשֶׁר עָשָׂ֖ה בִּ/ירוּשָׁלִָֽם לְ/זַֽעֲוָ֔ה־־׃
STATEN

En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkía, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.

5
כִּ֠י מִֽי יַחְמֹ֤ל עָלַ֨יִ/ךְ֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וּ/מִ֖י יָנ֣וּד לָ֑/ךְ וּ/מִ֣י יָס֔וּר לִ/שְׁאֹ֥ל לְ/שָׁלֹ֖ם לָֽ/ךְ־׃
STATEN

Want wie zou u verschonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen?

6
אַ֣תְּ נָטַ֥שְׁתְּ אֹתִ֛/י נְאֻם יְהוָ֖ה אָח֣וֹר תֵּלֵ֑כִי וָ/אַ֨ט אֶת יָדִ֤/י עָלַ֨יִ/ךְ֙ וָֽ/אַשְׁחִיתֵ֔/ךְ נִלְאֵ֖יתִי הִנָּחֵֽם־־׃
STATEN

Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEERE; gij zijt achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben des berouwens moede geworden.

7
וָ/אֶזְרֵ֥/ם בְּ/מִזְרֶ֖ה בְּ/שַׁעֲרֵ֣י הָ/אָ֑רֶץ שִׁכַּ֤לְתִּי אִבַּ֨דְתִּי֙ אֶת עַמִּ֔/י מִ/דַּרְכֵי/הֶ֖ם לוֹא שָֽׁבוּ־־׃
STATEN

En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd.

8
עָֽצְמוּ לִ֤/י אַלְמְנֹתָ/ו֙ מֵ/ח֣וֹל יַמִּ֔ים הֵבֵ֨אתִי לָ/הֶ֥ם עַל אֵ֛ם בָּח֖וּר שֹׁדֵ֣ד בַּֽ/צָּהֳרָ֑יִם הִפַּ֤לְתִּי עָלֶ֨י/הָ֙ פִּתְאֹ֔ם עִ֖יר וּ/בֶהָלֽוֹת־־׃
STATEN

Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.

9
אֻמְלְלָ֞ה יֹלֶ֣דֶת הַ/שִּׁבְעָ֗ה נָפְחָ֥ה נַפְשָׁ֛/הּ באה שִׁמְשָׁ֛/הּ בְּ/עֹ֥ד יוֹמָ֖ם בּ֣וֹשָׁה וְ/חָפֵ֑רָה וּ/שְׁאֵֽרִיתָ֗/ם לַ/חֶ֧רֶב אֶתֵּ֛ן לִ/פְנֵ֥י אֹיְבֵי/הֶ֖ם נְאֻם יְהוָֽה בָּ֥א־׃ס
STATEN

Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de HEERE.

10
אֽוֹי לִ֣/י אִמִּ֔/י כִּ֣י יְלִדְתִּ֗/נִי אִ֥ישׁ רִ֛יב וְ/אִ֥ישׁ מָד֖וֹן לְ/כָל הָ/אָ֑רֶץ לֹֽא נָשִׁ֥יתִי וְ/לֹא נָֽשׁוּ בִ֖/י כֻּלֹּ֥/ה מְקַלְלַֽו/נִי־־־־־׃ס
STATEN

Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.

11
אָמַ֣ר יְהוָ֔ה אִם לֹ֥א שרות/ך לְ/ט֑וֹב אִם ל֣וֹא הִפְגַּ֣עְתִּֽי בְ/ךָ֗ בְּ/עֵ֥ת רָעָ֛ה וּ/בְ/עֵ֥ת צָרָ֖ה אֶת הָ/אֹיֵֽב־־׀־־׃ שֵֽׁרִיתִ֖י/ךָ
STATEN

De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!

12
הֲ/יָרֹ֨עַ בַּרְזֶ֧ל בַּרְזֶ֛ל מִ/צָּפ֖וֹן וּ/נְחֹֽשֶׁת׀׃
STATEN

Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 15

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 15 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →