Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 20

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּשְׁמַ֤ע פַּשְׁחוּר֙ בֶּן אִמֵּ֣ר הַ/כֹּהֵ֔ן וְ/הֽוּא פָקִ֥יד נָגִ֖יד בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה אֶֽת יִרְמְיָ֔הוּ נִבָּ֖א אֶת הַ/דְּבָרִ֥ים הָ/אֵֽלֶּה־־־־׃
STATEN

Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis des HEEREN), Jeremía hoorde, diezelve woorden profeterende,

2
וַ/יַּכֶּ֣ה פַשְׁח֔וּר אֵ֖ת יִרְמְיָ֣הוּ הַ/נָּבִ֑יא וַ/יִּתֵּ֨ן אֹת֜/וֹ עַל הַ/מַּהְפֶּ֗כֶת אֲשֶׁ֨ר בְּ/שַׁ֤עַר בִּנְיָמִן֙ הָֽ/עֶלְי֔וֹן אֲשֶׁ֖ר בְּ/בֵ֥ית יְהוָֽה־׃
STATEN

Zo sloeg Pashur den profeet Jeremía, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des HEEREN is.

3
וַֽ/יְהִי֙ מִֽ/מָּחֳרָ֔ת וַ/יֹּצֵ֥א פַשְׁח֛וּר אֶֽת יִרְמְיָ֖הוּ מִן הַ/מַּהְפָּ֑כֶת וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלָ֜י/ו יִרְמְיָ֗הוּ לֹ֤א פַשְׁחוּר֙ קָרָ֤א יְהוָה֙ שְׁמֶ֔/ךָ כִּ֖י אִם מָג֥וֹר מִ/סָּבִֽיב־־־׃פ
STATEN

Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jeremía uit de gevangenis voortbracht; toen zeide Jeremía tot hem: De HEERE noemt uw naam niet Pashur, maar Magôr-missabib.

4
כִּ֣י כֹ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֡ה הִנְ/נִי֩ נֹתֶנְ/ךָ֨ לְ/מָג֜וֹר לְ/ךָ֣ וּ/לְ/כָל אֹהֲבֶ֗י/ךָ וְ/נָֽפְל֛וּ בְּ/חֶ֥רֶב אֹיְבֵי/הֶ֖ם וְ/עֵינֶ֣י/ךָ רֹא֑וֹת וְ/אֶת כָּל יְהוּדָ֗ה אֶתֵּן֙ בְּ/יַ֣ד מֶֽלֶךְ בָּבֶ֔ל וְ/הִגְלָ֥/ם בָּבֶ֖לָ/ה וְ/הִכָּ֥/ם בֶּ/חָֽרֶב־־־־׃
STATEN

Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.

5
וְ/נָתַתִּ֗י אֶת כָּל חֹ֨סֶן֙ הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את וְ/אֶת כָּל יְגִיעָ֖/הּ וְ/אֶת כָּל יְקָרָ֑/הּ וְ/אֵ֨ת כָּל אוֹצְר֜וֹת מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֗ה אֶתֵּן֙ בְּ/יַ֣ד אֹֽיְבֵי/הֶ֔ם וּ/בְזָזוּ/ם֙ וּ/לְקָח֔וּ/ם וֶ/הֱבִיא֖וּ/ם בָּבֶֽלָ/ה־־־־־־־׃
STATEN

Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.

6
וְ/אַתָּ֣ה פַשְׁח֗וּר וְ/כֹל֙ יֹשְׁבֵ֣י בֵיתֶ֔/ךָ תֵּלְכ֖וּ בַּ/שֶּׁ֑בִי וּ/בָבֶ֣ל תָּב֗וֹא וְ/שָׁ֤ם תָּמוּת֙ וְ/שָׁ֣ם תִּקָּבֵ֔ר אַתָּה֙ וְ/כָל אֹ֣הֲבֶ֔י/ךָ אֲשֶׁר נִבֵּ֥אתָ לָ/הֶ֖ם בַּ/שָּֽׁקֶר־־׃ס
STATEN

En gij, Pashur, en alle inwoners van uw huis! gijlieden zult gaan in de gevangenis; en gij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar begraven worden, gij en al uw vrienden, denwelken gij valselijk geprofeteerd hebt.

7
פִּתִּיתַ֤/נִי יְהוָה֙ וָֽ/אֶפָּ֔ת חֲזַקְתַּ֖/נִי וַ/תּוּכָ֑ל הָיִ֤יתִי לִ/שְׂחוֹק֙ כָּל הַ/יּ֔וֹם כֻּלֹּ֖/ה לֹעֵ֥ג לִֽ/י־׃
STATEN

HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.

8
כִּֽי מִ/דֵּ֤י אֲדַבֵּר֙ אֶזְעָ֔ק חָמָ֥ס וָ/שֹׁ֖ד אֶקְרָ֑א כִּֽי הָיָ֨ה דְבַר יְהוָ֥ה לִ֛/י לְ/חֶרְפָּ֥ה וּ/לְ/קֶ֖לֶס כָּל הַ/יּֽוֹם־־־־׃
STATEN

Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij des HEEREN woord den gansen dag tot smaad en tot schimp is.

9
וְ/אָמַרְתִּ֣י לֹֽא אֶזְכְּרֶ֗/נּוּ וְ/לֹֽא אֲדַבֵּ֥ר עוֹד֙ בִּ/שְׁמ֔/וֹ וְ/הָיָ֤ה בְ/לִבִּ/י֙ כְּ/אֵ֣שׁ בֹּעֶ֔רֶת עָצֻ֖ר בְּ/עַצְמֹתָ֑/י וְ/נִלְאֵ֥יתִי כַּֽלְכֵ֖ל וְ/לֹ֥א אוּכָֽל־־׃
STATEN

Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.

10
כִּ֣י שָׁמַ֜עְתִּי דִּבַּ֣ת רַבִּים֮ מָג֣וֹר מִ/סָּבִיב֒ הַגִּ֨ידוּ֙ וְ/נַגִּידֶ֔/נּוּ כֹּ֚ל אֱנ֣וֹשׁ שְׁלוֹמִ֔/י שֹׁמְרֵ֖י צַלְעִ֑/י אוּלַ֤י יְפֻתֶּה֙ וְ/נ֣וּכְלָה ל֔/וֹ וְ/נִקְחָ֥ה נִקְמָתֵ֖/נוּ מִמֶּֽ/נּוּ׃
STATEN

Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magôr-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

11
וַֽ/יהוָ֤ה אוֹתִ/י֙ כְּ/גִבּ֣וֹר עָרִ֔יץ עַל כֵּ֛ן רֹדְפַ֥/י יִכָּשְׁל֖וּ וְ/לֹ֣א יֻכָ֑לוּ בֹּ֤שׁוּ מְאֹד֙ כִּֽי לֹ֣א הִשְׂכִּ֔ילוּ כְּלִמַּ֥ת עוֹלָ֖ם לֹ֥א תִשָּׁכֵֽחַ־־׃
STATEN

Maar de HEERE is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.

12
וַ/יהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ בֹּחֵ֣ן צַדִּ֔יק רֹאֶ֥ה כְלָי֖וֹת וָ/לֵ֑ב אֶרְאֶ֤ה נִקְמָֽתְ/ךָ֙ מֵ/הֶ֔ם כִּ֥י אֵלֶ֖י/ךָ גִּלִּ֥יתִי אֶת רִיבִֽ/י־׃ס
STATEN

Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 20

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 20 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →