NEVIIM

Jeremia 50

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
הַ/דָּבָ֗ר אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֧ר יְהוָ֛ה אֶל בָּבֶ֖ל אֶל אֶ֣רֶץ כַּשְׂדִּ֑ים בְּ/יַ֖ד יִרְמְיָ֥הוּ הַ/נָּבִֽיא
STATEN

Het woord, dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeeën, door den dienst van den profeet Jeremía.

2
הַגִּ֨ידוּ בַ/גּוֹיִ֤ם וְ/הַשְׁמִ֨יעוּ֙ וּֽ/שְׂאוּ נֵ֔ס הַשְׁמִ֖יעוּ אַל תְּכַחֵ֑דוּ אִמְרוּ֩ נִלְכְּדָ֨ה בָבֶ֜ל הֹבִ֥ישׁ בֵּל֙ חַ֣ת מְרֹדָ֔ךְ הֹבִ֣ישׁוּ עֲצַבֶּ֔י/הָ חַ֖תּוּ גִּלּוּלֶֽי/הָ
STATEN

Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Meródach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd!

3
כִּ֣י עָלָה֩ עָלֶ֨י/הָ גּ֜וֹי מִ/צָּפ֗וֹן הֽוּא יָשִׁ֤ית אֶת אַרְצָ/הּ֙ לְ/שַׁמָּ֔ה וְ/לֹֽא יִהְיֶ֥ה יוֹשֵׁ֖ב בָּ֑/הּ מֵ/אָדָ֥ם וְ/עַד בְּהֵמָ֖ה נָ֥דוּ הָלָֽכוּ
STATEN

Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!

4
בַּ/יָּמִ֨ים הָ/הֵ֜מָּה וּ/בָ/עֵ֤ת הַ/הִיא֙ נְאֻם יְהוָ֔ה יָבֹ֧אוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל הֵ֥מָּה וּ/בְנֵֽי יְהוּדָ֖ה יַחְדָּ֑ו הָל֤וֹךְ וּ/בָכוֹ֙ יֵלֵ֔כוּ וְ/אֶת יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/הֶ֖ם יְבַקֵּֽשׁוּ
STATEN

In dezelve dagen en ter zelver tijd, spreekt de HEERE, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en den HEERE, hun God, zoeken.

5
צִיּ֣וֹן יִשְׁאָ֔לוּ דֶּ֖רֶךְ הֵ֣נָּה פְנֵי/הֶ֑ם בֹּ֚אוּ וְ/נִלְו֣וּ אֶל יְהוָ֔ה בְּרִ֥ית עוֹלָ֖ם לֹ֥א תִשָּׁכֵֽחַ
STATEN

Zij zullen naar Sion vragen; op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den HEERE toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten.

6
צֹ֤אן אֹֽבְדוֹת֙ היה עַמִּ֔/י רֹעֵי/הֶ֣ם הִתְע֔וּ/ם הָרִ֖ים שובבים מֵ/הַ֤ר אֶל גִּבְעָה֙ הָלָ֔כוּ שָׁכְח֖וּ רִבְצָֽ/ם הָי֣וּ שֽׁוֹבְב֑וּ/ם
STATEN

Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.

7
כָּל מוֹצְאֵי/הֶ֣ם אֲכָל֔וּ/ם וְ/צָרֵי/הֶ֥ם אָמְר֖וּ לֹ֣א נֶאְשָׁ֑ם תַּ֗חַת אֲשֶׁ֨ר חָטְא֤וּ לַֽ/יהוָה֙ נְוֵה צֶ֔דֶק וּ/מִקְוֵ֥ה אֲבֽוֹתֵי/הֶ֖ם יְהוָֽה
STATEN

Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den HEERE, de Verwachting hunner vaderen.

8
נֻ֚דוּ מִ/תּ֣וֹךְ בָּבֶ֔ל וּ/מֵ/אֶ֥רֶץ כַּשְׂדִּ֖ים יצאו וִ/הְי֕וּ כְּ/עַתּוּדִ֖ים לִ/פְנֵי צֹֽאן צֵ֑אוּ
STATEN

Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit der Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde henen.

9
כִּ֣י הִנֵּ֣ה אָנֹכִ֡י מֵעִיר֩ וּ/מַעֲלֶ֨ה עַל בָּבֶ֜ל קְהַל גּוֹיִ֤ם גְּדֹלִים֙ מֵ/אֶ֣רֶץ צָפ֔וֹן וְ/עָ֣רְכוּ לָ֔/הּ מִ/שָּׁ֖ם תִּלָּכֵ֑ד חִצָּי/ו֙ כְּ/גִבּ֣וֹר מַשְׁכִּ֔יל לֹ֥א יָשׁ֖וּב רֵיקָֽם
STATEN

Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal ledig wederkeren.

10
וְ/הָיְתָ֥ה כַשְׂדִּ֖ים לְ/שָׁלָ֑ל כָּל שֹׁלְלֶ֥י/הָ יִשְׂבָּ֖עוּ נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

En Chaldéa zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.

11
כִּ֤י תשמחי כִּ֣י תעלזי שֹׁסֵ֖י נַחֲלָתִ֑/י כִּ֤י תפושי כְּ/עֶגְלָ֣ה דָשָׁ֔ה ו/תצהלי כָּ/אֲבִּרִֽים תִשְׂמְחוּ֙ תַֽעֲלְז֔וּ תָפ֨וּשׁוּ֙ וְ/תִצְהֲל֖וּ
STATEN

Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars Mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;

12
בּ֤וֹשָׁה אִמְּ/כֶם֙ מְאֹ֔ד חָפְרָ֖ה יֽוֹלַדְתְּ/כֶ֑ם הִנֵּה֙ אַחֲרִ֣ית גּוֹיִ֔ם מִדְבָּ֖ר צִיָּ֥ה וַ/עֲרָבָֽה
STATEN

Zo is uw moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; ziet, zij is geworden de achterste der heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis.

13
מִ/קֶּ֤צֶף יְהוָה֙ לֹ֣א תֵשֵׁ֔ב וְ/הָיְתָ֥ה שְׁמָמָ֖ה כֻּלָּ֑/הּ כֹּ֚ל עֹבֵ֣ר עַל בָּבֶ֔ל יִשֹּׁ֥ם וְ/יִשְׁרֹ֖ק עַל כָּל מַכּוֹתֶֽי/הָ
STATEN

Vanwege de verbolgenheid des HEEREN zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.

14
עִרְכ֨וּ עַל בָּבֶ֤ל סָבִיב֙ כָּל דֹּ֣רְכֵי קֶ֔שֶׁת יְד֣וּ אֵלֶ֔י/הָ אַֽל תַּחְמְל֖וּ אֶל חֵ֑ץ כִּ֥י לַֽ/יהוָ֖ה חָטָֽאָה
STATEN

Rust u tegen Babel rondom, gij allen, die den boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den HEERE gezondigd.

15
הָרִ֨יעוּ עָלֶ֤י/הָ סָבִיב֙ נָתְנָ֣ה יָדָ֔/הּ נָֽפְלוּ֙ אשויתי/ה נֶהֶרְס֖וּ חֽוֹמוֹתֶ֑י/הָ כִּי֩ נִקְמַ֨ת יְהוָ֥ה הִיא֙ הִנָּ֣קְמוּ בָ֔/הּ כַּ/אֲשֶׁ֥ר עָשְׂתָ֖ה עֲשׂוּ לָֽ/הּ אָשְׁיוֹתֶ֔י/הָ
STATEN

Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is des HEEREN wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft!

16
כִּרְת֤וּ זוֹרֵ֨עַ֙ מִ/בָּבֶ֔ל וְ/תֹפֵ֥שׂ מַגָּ֖ל בְּ/עֵ֣ת קָצִ֑יר מִ/פְּנֵי֙ חֶ֣רֶב הַ/יּוֹנָ֔ה אִ֤ישׁ אֶל עַמּ/וֹ֙ יִפְנ֔וּ וְ/אִ֥ישׁ לְ/אַרְצ֖/וֹ יָנֻֽסוּ
STATEN

Roeit uit van Babel den zaaier, en dien, die de sikkel handelt in den oogsttijd; laat hen vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, een iegelijk tot zijn volk, en vlieden, een iegelijk naar zijn land.

17
שֶׂ֧ה פְזוּרָ֛ה יִשְׂרָאֵ֖ל אֲרָי֣וֹת הִדִּ֑יחוּ הָ/רִאשׁ֤וֹן אֲכָל/וֹ֙ מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר וְ/זֶ֤ה הָ/אַחֲרוֹן֙ עִצְּמ֔/וֹ נְבוּכַדְרֶאצַּ֖ר מֶ֥לֶךְ בָּבֶֽל
STATEN

Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld.

18
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֞ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הִנְ/נִ֥י פֹקֵ֛ד אֶל מֶ֥לֶךְ בָּבֶ֖ל וְ/אֶל אַרְצ֑/וֹ כַּ/אֲשֶׁ֥ר פָּקַ֖דְתִּי אֶל מֶ֥לֶךְ אַשּֽׁוּר
STATEN

Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal bezoeking doen over den koning van Babel en over zijn land, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over den koning van Assur.

19
וְ/שֹׁבַבְתִּ֤י אֶת יִשְׂרָאֵל֙ אֶל נָוֵ֔/הוּ וְ/רָעָ֥ה הַ/כַּרְמֶ֖ל וְ/הַ/בָּשָׁ֑ן וּ/בְ/הַ֥ר אֶפְרַ֛יִם וְ/הַ/גִּלְעָ֖ד תִּשְׂבַּ֥ע נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

En Ik zal Israël weder tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op den Karmel en op den Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden.

20
בַּ/יָּמִ֣ים הָ/הֵם֩ וּ/בָ/עֵ֨ת הַ/הִ֜יא נְאֻם יְהוָ֗ה יְבֻקַּ֞שׁ אֶת עֲוֺ֤ן יִשְׂרָאֵל֙ וְ/אֵינֶ֔/נּוּ וְ/אֶת חַטֹּ֥את יְהוּדָ֖ה וְ/לֹ֣א תִמָּצֶ֑אינָה כִּ֥י אֶסְלַ֖ח לַ/אֲשֶׁ֥ר אַשְׁאִֽיר
STATEN

In die dagen en te dier tijd, spreekt de HEERE, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.

21
עַל הָ/אָ֤רֶץ מְרָתַ֨יִם֙ עֲלֵ֣ה עָלֶ֔י/הָ וְ/אֶל יוֹשְׁבֵ֖י פְּק֑וֹד חֲרֹ֨ב וְ/הַחֲרֵ֤ם אַֽחֲרֵי/הֶם֙ נְאֻם יְהוָ֔ה וַ/עֲשֵׂ֕ה כְּ/כֹ֖ל אֲשֶׁ֥ר צִוִּיתִֽי/ךָ
STATEN

Tegen het land Meratháïm, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de HEERE, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.

22
ק֥וֹל מִלְחָמָ֖ה בָּ/אָ֑רֶץ וְ/שֶׁ֖בֶר גָּדֽוֹל
STATEN

Er is een krijgsgeschrei in het land, en een grote breuk.

23
אֵ֤יךְ נִגְדַּע֙ וַ/יִּשָּׁבֵ֔ר פַּטִּ֖ישׁ כָּל הָ/אָ֑רֶץ אֵ֣יךְ הָיְתָ֧ה לְ/שַׁמָּ֛ה בָּבֶ֖ל בַּ/גּוֹיִֽם
STATEN

Hoe is de hamer der ganse aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen.

24
יָקֹ֨שְׁתִּי לָ֤/ךְ וְ/גַם נִלְכַּדְתְּ֙ בָּבֶ֔ל וְ/אַ֖תְּ לֹ֣א יָדָ֑עַתְּ נִמְצֵאת֙ וְ/גַם נִתְפַּ֔שְׂתְּ כִּ֥י בַֽ/יהוָ֖ה הִתְגָּרִֽית
STATEN

Ik heb u een strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel! dat gij het niet wist; gij zijt gevonden, en ook gegrepen, omdat gij u tegen den HEERE in strijd gemengd hebt.

25
פָּתַ֤ח יְהוָה֙ אֶת א֣וֹצָר֔/וֹ וַ/יּוֹצֵ֖א אֶת כְּלֵ֣י זַעְמ֑/וֹ כִּי מְלָאכָ֣ה הִ֗יא לַֽ/אדֹנָ֧/י יְהוִ֛ה צְבָא֖וֹת בְּ/אֶ֥רֶץ כַּשְׂדִּֽים
STATEN

De HEERE heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten Zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het land der Chaldeeën.

26
בֹּֽאוּ לָ֤/הּ מִ/קֵּץ֙ פִּתְח֣וּ מַאֲבֻסֶ֔י/הָ סָלּ֥וּ/הָ כְמוֹ עֲרֵמִ֖ים וְ/הַחֲרִימ֑וּ/הָ אַל תְּהִי לָ֖/הּ שְׁאֵרִֽית
STATEN

Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.

27
חִרְבוּ֙ כָּל פָּרֶ֔י/הָ יֵרְד֖וּ לַ/טָּ֑בַח ה֣וֹי עֲלֵי/הֶ֔ם כִּֽי בָ֥א יוֹמָ֖/ם עֵ֥ת פְּקֻדָּתָֽ/ם
STATEN

Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking!

28
ק֥וֹל נָסִ֛ים וּ/פְלֵטִ֖ים מֵ/אֶ֣רֶץ בָּבֶ֑ל לְ/הַגִּ֣יד בְּ/צִיּ֗וֹן אֶת נִקְמַת֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֔י/נוּ נִקְמַ֖ת הֵיכָלֽ/וֹ
STATEN

Er is een stem der gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak des HEEREN, onzes Gods, de wraak Zijns tempels.

29
הַשְׁמִ֣יעוּ אֶל בָּבֶ֣ל רַ֠בִּים כָּל דֹּ֨רְכֵי קֶ֜שֶׁת חֲנ֧וּ עָלֶ֣י/הָ סָבִ֗יב אַל יְהִי פְּלֵטָ֔ה שַׁלְּמוּ לָ֣/הּ כְּ/פָעֳלָ֔/הּ כְּ/כֹ֛ל אֲשֶׁ֥ר עָשְׂתָ֖ה עֲשׂוּ לָ֑/הּ כִּ֧י אֶל יְהוָ֛ה זָ֖דָה אֶל קְד֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל לָ/הּ֙
STATEN

Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den HEERE, tegen den Heilige Israëls.

30
לָ/כֵ֛ן יִפְּל֥וּ בַחוּרֶ֖י/הָ בִּ/רְחֹבֹתֶ֑י/הָ וְ/כָל אַנְשֵׁ֨י מִלְחַמְתָּ֥/הּ יִדַּ֛מּוּ בַּ/יּ֥וֹם הַ/ה֖וּא נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten, en al haar krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de HEERE.

31
הִנְ/נִ֤י אֵלֶ֨י/ךָ֙ זָד֔וֹן נְאֻם אֲדֹנָ֥/י יְהוִ֖ה צְבָא֑וֹת כִּ֛י בָּ֥א יוֹמְ/ךָ֖ עֵ֥ת פְּקַדְתִּֽי/ךָ
STATEN

Ziet, Ik wil aan u, gij trotse! spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.

32
וְ/כָשַׁ֤ל זָדוֹן֙ וְ/נָפַ֔ל וְ/אֵ֥ין ל֖/וֹ מֵקִ֑ים וְ/הִצַּ֤תִּי אֵשׁ֙ בְּ/עָרָ֔י/ו וְ/אָכְלָ֖ה כָּל סְבִיבֹתָֽי/ו
STATEN

Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren.

33
כֹּ֤ה אָמַר֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת עֲשׁוּקִ֛ים בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֥ל וּ/בְנֵי יְהוּדָ֖ה יַחְדָּ֑ו וְ/כָל שֹֽׁבֵי/הֶם֙ הֶחֱזִ֣יקוּ בָ֔/ם מֵאֲנ֖וּ שַׁלְּחָֽ/ם
STATEN

Zo zegt de HEERE der heirscharen: De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten.

34
גֹּאֲלָ֣/ם חָזָ֗ק יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ שְׁמ֔/וֹ רִ֥יב יָרִ֖יב אֶת רִיבָ֑/ם לְמַ֨עַן֙ הִרְגִּ֣יעַ אֶת הָ/אָ֔רֶץ וְ/הִרְגִּ֖יז לְ/יֹשְׁבֵ֥י בָבֶֽל
STATEN

Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere.

35
חֶ֥רֶב עַל כַּשְׂדִּ֖ים נְאֻם יְהוָ֑ה וְ/אֶל יֹשְׁבֵ֣י בָבֶ֔ל וְ/אֶל שָׂרֶ֖י/הָ וְ/אֶל חֲכָמֶֽי/הָ
STATEN

Het zwaard zal zijn over de Chaldeeën, spreekt de HEERE; en over de inwoners van Babel, en over haar vorsten, en over haar wijzen.

36
חֶ֥רֶב אֶל הַ/בַּדִּ֖ים וְ/נֹאָ֑לוּ חֶ֥רֶב אֶל גִּבּוֹרֶ֖י/הָ וָ/חָֽתּוּ
STATEN

Het zwaard zal zijn over de leugenaars, dat zij zot worden; het zwaard zal zijn over haar helden, dat zij versagen;

37
חֶ֜רֶב אֶל סוּסָ֣י/ו וְ/אֶל רִכְבּ֗/וֹ וְ/אֶל כָּל הָ/עֶ֛רֶב אֲשֶׁ֥ר בְּ/תוֹכָ֖/הּ וְ/הָי֣וּ לְ/נָשִׁ֑ים חֶ֥רֶב אֶל אוֹצְרֹתֶ֖י/הָ וּ/בֻזָּֽזוּ
STATEN

Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagenen, en over den gansen gemengden hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden.

38
חֹ֥רֶב אֶל מֵימֶ֖י/הָ וְ/יָבֵ֑שׁוּ כִּ֣י אֶ֤רֶץ פְּסִלִים֙ הִ֔יא וּ/בָ/אֵימִ֖ים יִתְהֹלָֽלוּ
STATEN

Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.

39
לָ/כֵ֗ן יֵשְׁב֤וּ צִיִּים֙ אֶת אִיִּ֔ים וְ/יָ֥שְׁבוּ בָ֖/הּ בְּנ֣וֹת יַֽעֲנָ֑ה וְ/לֹֽא תֵשֵׁ֥ב עוֹד֙ לָ/נֶ֔צַח וְ/לֹ֥א תִשְׁכּ֖וֹן עַד דּ֥וֹר וָ/דֽוֹר
STATEN

Daarom zo zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.

40
כְּ/מַהְפֵּכַ֨ת אֱלֹהִ֜ים אֶת סְדֹ֧ם וְ/אֶת עֲמֹרָ֛ה וְ/אֶת שְׁכֵנֶ֖י/הָ נְאֻם יְהוָ֑ה לֹֽא יֵשֵׁ֥ב שָׁם֙ אִ֔ישׁ וְ/לֹֽא יָג֥וּר בָּ֖/הּ בֶּן אָדָֽם
STATEN

Gelijk God Sódom en Gomórra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt de HEERE, alzo zal niemand aldaar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren.

41
הִנֵּ֛ה עַ֥ם בָּ֖א מִ/צָּפ֑וֹן וְ/ג֤וֹי גָּדוֹל֙ וּ/מְלָכִ֣ים רַבִּ֔ים יֵעֹ֖רוּ מִ/יַּרְכְּתֵי אָֽרֶץ
STATEN

Ziet, daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en geweldige koningen zullen van de zijden der aarde opgewekt worden.

42
קֶ֣שֶׁת וְ/כִידֹ֞ן יַחֲזִ֗יקוּ אַכְזָרִ֥י הֵ֨מָּה֙ וְ/לֹ֣א יְרַחֵ֔מוּ קוֹלָ/ם֙ כַּ/יָּ֣ם יֶהֱמֶ֔ה וְ/עַל סוּסִ֖ים יִרְכָּ֑בוּ עָר֗וּךְ כְּ/אִישׁ֙ לַ/מִּלְחָמָ֔ה עָלַ֖יִ/ךְ בַּת בָּבֶֽל
STATEN

Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel!

43
שָׁמַ֧ע מֶֽלֶךְ בָּבֶ֛ל אֶת שִׁמְעָ֖/ם וְ/רָפ֣וּ יָדָ֑י/ו צָרָה֙ הֶחֱזִיקַ֔תְ/הוּ חִ֖יל כַּ/יּוֹלֵדָֽה
STATEN

De koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.

44
הִ֠נֵּה כְּ/אַרְיֵ֞ה יַעֲלֶ֨ה מִ/גְּא֣וֹן הַ/יַּרְדֵּן֮ אֶל נְוֵ֣ה אֵיתָן֒ כִּֽי אַרְגִּ֤עָה ארוצ/ם מֵֽ/עָלֶ֔י/הָ וּ/מִ֥י בָח֖וּר אֵלֶ֣י/הָ אֶפְקֹ֑ד כִּ֣י מִ֤י כָמ֨וֹ/נִי֙ וּ/מִ֣י יוֹעִדֶ֔/נִּי וּ/מִֽי זֶ֣ה רֹעֶ֔ה אֲשֶׁ֥ר יַעֲמֹ֖ד לְ/פָנָֽ/י אֲרִיצֵ/ם֙
STATEN

Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?

45
לָ/כֵ֞ן שִׁמְע֣וּ עֲצַת יְהוָ֗ה אֲשֶׁ֤ר יָעַץ֙ אֶל בָּבֶ֔ל וּ/מַ֨חְשְׁבוֹתָ֔י/ו אֲשֶׁ֥ר חָשַׁ֖ב אֶל אֶ֣רֶץ כַּשְׂדִּ֑ים אִם לֹ֤א יִסְחָבוּ/ם֙ צְעִירֵ֣י הַ/צֹּ֔אן אִם לֹ֥א יַשִּׁ֛ים עֲלֵי/הֶ֖ם נָוֶֽה
STATEN

Daarom hoort den raadslag des HEEREN, dien Hij over Babel heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over het land der Chaldeeën: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Zo hij de woning boven hen niet zal verwoesten!

46
מִ/קּוֹל֙ נִתְפְּשָׂ֣ה בָבֶ֔ל נִרְעֲשָׁ֖ה הָ/אָ֑רֶץ וּ/זְעָקָ֖ה בַּ/גּוֹיִ֥ם נִשְׁמָֽע
STATEN

De aarde is bevende geworden van het geluid der inneming van Babel, en het gekrijt is gehoord onder de volken.