Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 19

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הָל֛וֹךְ וְ/קָנִ֥יתָ בַקְבֻּ֖ק יוֹצֵ֣ר חָ֑רֶשׂ וּ/מִ/זִּקְנֵ֣י הָ/עָ֔ם וּ/מִ/זִּקְנֵ֖י הַ/כֹּהֲנִֽים׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten des volks, en van de oudsten der priesteren.

2
וְ/יָצָ֨אתָ֙ אֶל גֵּ֣יא בֶן הִנֹּ֔ם אֲשֶׁ֕ר פֶּ֖תַח שַׁ֣עַר ה/חרסות וְ/קָרָ֣אתָ שָּׁ֔ם אֶת הַ/דְּבָרִ֖ים אֲשֶׁר אֲדַבֵּ֥ר אֵלֶֽי/ךָ־־־־׃ הַֽ/חַרְסִ֑ית
STATEN

En ga uit naar het dal des zoons van Hinnom, dat voor de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal;

3
וְ/אָֽמַרְתָּ֙ שִׁמְע֣וּ דְבַר יְהוָ֔ה מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֔ה וְ/יֹשְׁבֵ֖י יְרֽוּשָׁלִָ֑ם כֹּֽה אָמַר֩ יְהוָ֨ה צְבָא֜וֹת אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל הִנְ/נִ֨י מֵבִ֤יא רָעָה֙ עַל הַ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֔ה אֲשֶׁ֥ר כָּל שֹׁמְעָ֖/הּ תִּצַּ֥לְנָה אָזְנָֽי/ו־־־־׃
STATEN

En zeg: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;

4
יַ֣עַן אֲשֶׁ֣ר עֲזָבֻ֗/נִי וַֽ/יְנַכְּר֞וּ אֶת הַ/מָּק֤וֹם הַ/זֶּה֙ וַ/יְקַטְּרוּ ב/וֹ֙ לֵ/אלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים אֲשֶׁ֧ר לֹֽא יְדָע֛וּ/ם הֵ֥מָּה וַ/אֲבֽוֹתֵי/הֶ֖ם וּ/מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֑ה וּ/מָֽלְא֛וּ אֶת הַ/מָּק֥וֹם הַ/זֶּ֖ה דַּ֥ם נְקִיִּֽם׀־־־־׃
STATEN

Omdat zij Mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en anderen goden daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaders, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met bloed der onschuldigen.

5
וּ/בָנ֞וּ אֶת בָּמ֣וֹת הַ/בַּ֗עַל לִ/שְׂרֹ֧ף אֶת בְּנֵי/הֶ֛ם בָּ/אֵ֖שׁ עֹל֣וֹת לַ/בָּ֑עַל אֲשֶׁ֤ר לֹֽא צִוִּ֨יתִי֙ וְ/לֹ֣א דִבַּ֔רְתִּי וְ/לֹ֥א עָלְתָ֖ה עַל לִבִּֽ/י־־־־׃פ
STATEN

Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; hetwelk Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen?

6
לָ/כֵ֞ן הִנֵּֽה יָמִ֤ים בָּאִים֙ נְאֻם יְהוָ֔ה וְ/לֹא יִקָּרֵא֩ לַ/מָּק֨וֹם הַ/זֶּ֥ה ע֛וֹד הַ/תֹּ֖פֶת וְ/גֵ֣יא בֶן הִנֹּ֑ם כִּ֖י אִם גֵּ֥יא הַ/הֲרֵגָֽה־־־־־׃
STATEN

Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal des zoons van Hinnom, maar Moorddal.

7
וּ֠/בַקֹּתִי אֶת עֲצַ֨ת יְהוּדָ֤ה וִ/ירוּשָׁלִַ֨ם֙ בַּ/מָּק֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וְ/הִפַּלְתִּ֤י/ם בַּ/חֶ֨רֶב֙ לִ/פְנֵ֣י אֹֽיְבֵי/הֶ֔ם וּ/בְ/יַ֖ד מְבַקְשֵׁ֣י נַפְשָׁ֑/ם וְ/נָתַתִּ֤י אֶת נִבְלָתָ/ם֙ לְ/מַֽאֲכָ֔ל לְ/ע֥וֹף הַ/שָּׁמַ֖יִם וּ/לְ/בֶהֱמַ֥ת הָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

Want Ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven.

8
וְ/שַׂמְתִּי֙ אֶת הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את לְ/שַׁמָּ֖ה וְ/לִ/שְׁרֵקָ֑ה כֹּ֚ל עֹבֵ֣ר עָלֶ֔י/הָ יִשֹּׁ֥ם וְ/יִשְׁרֹ֖ק עַל כָּל מַכֹּתֶֽ/הָ־־־׃
STATEN

En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen.

9
וְ/הַֽאֲכַלְתִּ֞י/ם אֶת בְּשַׂ֣ר בְּנֵי/הֶ֗ם וְ/אֵת֙ בְּשַׂ֣ר בְּנֹתֵי/הֶ֔ם וְ/אִ֥ישׁ בְּשַׂר רֵעֵ֖/הוּ יֹאכֵ֑לוּ בְּ/מָצוֹר֙ וּ/בְ/מָצ֔וֹק אֲשֶׁ֨ר יָצִ֧יקוּ לָ/הֶ֛ם אֹיְבֵי/הֶ֖ם וּ/מְבַקְשֵׁ֥י נַפְשָֽׁ/ם־־׃
STATEN

En Ik zal hunlieden het vlees hunner zonen en het vlees hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten, een iegelijk het vlees zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen.

10
וְ/שָׁבַרְתָּ֖ הַ/בַּקְבֻּ֑ק לְ/עֵינֵי֙ הָֽ/אֲנָשִׁ֔ים הַ/הֹלְכִ֖ים אוֹתָֽ/ךְ׃
STATEN

Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen der mannen, die met u gegaan zijn;

11
וְ/אָמַרְתָּ֨ אֲלֵי/הֶ֜ם כֹּה אָמַ֣ר יְהוָ֣ה צְבָא֗וֹת כָּ֣כָה אֶשְׁבֹּ֞ר אֶת הָ/עָ֤ם הַ/זֶּה֙ וְ/אֶת הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את כַּ/אֲשֶׁ֤ר יִשְׁבֹּר֙ אֶת כְּלִ֣י הַ/יּוֹצֵ֔ר אֲשֶׁ֛ר לֹֽא יוּכַ֥ל לְ/הֵרָפֵ֖ה ע֑וֹד וּ/בְ/תֹ֣פֶת יִקְבְּר֔וּ מֵ/אֵ֥ין מָק֖וֹם לִ/קְבּֽוֹר־׀־־־־׃
STATEN

En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.

12
כֵּֽן אֶעֱשֶׂ֞ה לַ/מָּק֥וֹם הַ/זֶּ֛ה נְאֻם יְהוָ֖ה וּ/לְ/יֽוֹשְׁבָ֑י/ו וְ/לָ/תֵ֛ת אֶת הָ/עִ֥יר הַ/זֹּ֖את כְּ/תֹֽפֶת־־־׃
STATEN

Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt de HEERE, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 19

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →