Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 29

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/אֵ֨לֶּה֙ דִּבְרֵ֣י הַ/סֵּ֔פֶר אֲשֶׁ֥ר שָׁלַ֛ח יִרְמְיָ֥ה הַ/נָּבִ֖יא מִ/ירוּשָׁלִָ֑ם אֶל יֶ֜תֶר זִקְנֵ֣י הַ/גּוֹלָ֗ה וְ/אֶל הַ/כֹּהֲנִ֤ים וְ/אֶל הַ/נְּבִיאִים֙ וְ/אֶל כָּל הָ/עָ֔ם אֲשֶׁ֨ר הֶגְלָ֧ה נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֛ר מִ/ירוּשָׁלִַ֖ם בָּבֶֽלָ/ה־־־־־׃
STATEN

Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremía zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnézar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.

2
אַחֲרֵ֣י צֵ֣את יְכָנְיָֽה הַ֠/מֶּלֶךְ וְ/הַ/גְּבִירָ֨ה וְ/הַ/סָּרִיסִ֜ים שָׂרֵ֨י יְהוּדָ֧ה וִ/ירוּשָׁלִַ֛ם וְ/הֶ/חָרָ֥שׁ וְ/הַ/מַּסְגֵּ֖ר מִ/ירוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

(Nadat de koning Jechónia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);

3
בְּ/יַד֙ אֶלְעָשָׂ֣ה בֶן שָׁפָ֔ן וּ/גְמַרְיָ֖ה בֶּן חִלְקִיָּ֑ה אֲשֶׁ֨ר שָׁלַ֜ח צִדְקִיָּ֣ה מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֗ה אֶל נְבוּכַדְנֶאצַּ֛ר מֶ֥לֶךְ בָּבֶ֖ל בָּבֶ֥לָ/ה לֵ/אמֹֽר־־־־׃ס
STATEN

Door de hand van Elása, den zoon van Safan, en Gemárja, den zoon van Hilkía, die Zedekía, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnézar, den koning van Babel, zeggende:

4
כֹּ֥ה אָמַ֛ר יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל לְ/כָל הַ֨/גּוֹלָ֔ה אֲשֶׁר הִגְלֵ֥יתִי מִ/ירוּשָׁלִַ֖ם בָּבֶֽלָ/ה־־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:

5
בְּנ֥וּ בָתִּ֖ים וְ/שֵׁ֑בוּ וְ/נִטְע֣וּ גַנּ֔וֹת וְ/אִכְל֖וּ אֶת פִּרְיָֽ/ן־׃
STATEN

Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;

6
קְח֣וּ נָשִׁ֗ים וְ/הוֹלִידוּ֮ בָּנִ֣ים וּ/בָנוֹת֒ וּ/קְח֨וּ לִ/בְנֵי/כֶ֜ם נָשִׁ֗ים וְ/אֶת בְּנֽוֹתֵי/כֶם֙ תְּנ֣וּ לַֽ/אֲנָשִׁ֔ים וְ/תֵלַ֖דְנָה בָּנִ֣ים וּ/בָנ֑וֹת וּ/רְבוּ שָׁ֖ם וְ/אַל תִּמְעָֽטוּ־־־׃
STATEN

Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.

7
וְ/דִרְשׁ֞וּ אֶת שְׁל֣וֹם הָ/עִ֗יר אֲשֶׁ֨ר הִגְלֵ֤יתִי אֶתְ/כֶם֙ שָׁ֔מָּ/ה וְ/הִתְפַּֽלְל֥וּ בַעֲדָ֖/הּ אֶל יְהוָ֑ה כִּ֣י בִ/שְׁלוֹמָ֔/הּ יִהְיֶ֥ה לָ/כֶ֖ם שָׁלֽוֹם־־׃פ
STATEN

En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.

8
כִּי֩ כֹ֨ה אָמַ֜ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אַל יַשִּׁ֧יאוּ לָ/כֶ֛ם נְבִֽיאֵי/כֶ֥ם אֲשֶׁר בְּ/קִרְבְּ/כֶ֖ם וְ/קֹֽסְמֵי/כֶ֑ם וְ/אַֽל תִּשְׁמְעוּ֙ אֶל חֲלֹמֹ֣תֵי/כֶ֔ם אֲשֶׁ֥ר אַתֶּ֖ם מַחְלְמִֽים־־־־׃
STATEN

Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.

9
כִּ֣י בְ/שֶׁ֔קֶר הֵ֛ם נִבְּאִ֥ים לָ/כֶ֖ם בִּ/שְׁמִ֑/י לֹ֥א שְׁלַחְתִּ֖י/ם נְאֻם יְהוָֽה־׃ס
STATEN

Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.

10
כִּֽי כֹה֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה כִּ֠י לְ/פִ֞י מְלֹ֧את לְ/בָבֶ֛ל שִׁבְעִ֥ים שָׁנָ֖ה אֶפְקֹ֣ד אֶתְ/כֶ֑ם וַ/הֲקִמֹתִ֤י עֲלֵי/כֶם֙ אֶת דְּבָרִ֣/י הַ/טּ֔וֹב לְ/הָשִׁ֣יב אֶתְ/כֶ֔ם אֶל הַ/מָּק֖וֹם הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.

11
כִּי֩ אָנֹכִ֨י יָדַ֜עְתִּי אֶת הַ/מַּחֲשָׁבֹ֗ת אֲשֶׁ֧ר אָנֹכִ֛י חֹשֵׁ֥ב עֲלֵי/כֶ֖ם נְאֻם יְהוָ֑ה מַחְשְׁב֤וֹת שָׁלוֹם֙ וְ/לֹ֣א לְ/רָעָ֔ה לָ/תֵ֥ת לָ/כֶ֖ם אַחֲרִ֥ית וְ/תִקְוָֽה־־׃
STATEN

Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.

12
וּ/קְרָאתֶ֤ם אֹתִ/י֙ וַֽ/הֲלַכְתֶּ֔ם וְ/הִתְפַּלַּלְתֶּ֖ם אֵלָ֑/י וְ/שָׁמַעְתִּ֖י אֲלֵי/כֶֽם׃
STATEN

Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 29

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 29 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →