Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 25

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ/דָּבָ֞ר אֲשֶׁר הָיָ֤ה עַֽל יִרְמְיָ֨הוּ֙ עַל כָּל עַ֣ם יְהוּדָ֔ה בַּ/שָּׁנָה֙ הָֽ/רְבִעִ֔ית לִ/יהוֹיָקִ֥ים בֶּן יֹאשִׁיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה הִ֗יא הַ/שָּׁנָה֙ הָ/רִ֣אשֹׁנִ֔ית לִ/נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֖ר מֶ֥לֶךְ בָּבֶֽל־־־־־׃
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel);

2
אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֜ר יִרְמְיָ֤הוּ הַ/נָּבִיא֙ עַל כָּל עַ֣ם יְהוּדָ֔ה וְ/אֶ֛ל כָּל יֹשְׁבֵ֥י יְרוּשָׁלִַ֖ם לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Hetwelk de profeet Jeremía gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:

3
מִן שְׁלֹ֣שׁ עֶשְׂרֵ֣ה שָׁנָ֡ה לְ/יֹאשִׁיָּ֣הוּ בֶן אָמוֹן֩ מֶ֨לֶךְ יְהוּדָ֜ה וְ/עַ֣ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֗ה זֶ֚ה שָׁלֹ֤שׁ וְ/עֶשְׂרִים֙ שָׁנָ֔ה הָיָ֥ה דְבַר יְהוָ֖ה אֵלָ֑/י וָ/אֲדַבֵּ֧ר אֲלֵי/כֶ֛ם אַשְׁכֵּ֥ים וְ/דַבֵּ֖ר וְ/לֹ֥א שְׁמַעְתֶּֽם־־׀־׃
STATEN

Van het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.

4
וְ/שָׁלַח֩ יְהוָ֨ה אֲלֵי/כֶ֜ם אֶֽת כָּל עֲבָדָ֧י/ו הַ/נְּבִאִ֛ים הַשְׁכֵּ֥ם וְ/שָׁלֹ֖חַ וְ/לֹ֣א שְׁמַעְתֶּ֑ם וְ/לֹֽא הִטִּיתֶ֥ם אֶֽת אָזְנְ/כֶ֖ם לִ/שְׁמֹֽעַ־־־־׃
STATEN

Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);

5
לֵ/אמֹ֗ר שֽׁוּבוּ נָ֞א אִ֣ישׁ מִ/דַּרְכּ֤/וֹ הָֽ/רָעָה֙ וּ/מֵ/רֹ֣עַ מַעַלְלֵי/כֶ֔ם וּ/שְׁבוּ֙ עַל הָ֣/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֨ר נָתַ֧ן יְהוָ֛ה לָ/כֶ֖ם וְ/לַ/אֲבֽוֹתֵי/כֶ֑ם לְ/מִן עוֹלָ֖ם וְ/עַד עוֹלָֽם־־־־׃
STATEN

Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw;

6
וְ/אַל תֵּלְכ֗וּ אַֽחֲרֵי֙ אֱלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים לְ/עָבְדָ֖/ם וּ/לְ/הִשְׁתַּחֲוֺ֣ת לָ/הֶ֑ם וְ/לֹֽא תַכְעִ֤יסוּ אוֹתִ/י֙ בְּ/מַעֲשֵׂ֣ה יְדֵי/כֶ֔ם וְ/לֹ֥א אָרַ֖ע לָ/כֶֽם־־׃
STATEN

En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.

7
וְ/לֹֽא שְׁמַעְתֶּ֥ם אֵלַ֖/י נְאֻם יְהוָ֑ה לְמַ֧עַן הכעסו/ני בְּ/מַעֲשֵׂ֥ה יְדֵי/כֶ֖ם לְ/רַ֥ע לָ/כֶֽם־־׃ס הַכְעִיסֵ֛/נִי
STATEN

Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.

8
לָ/כֵ֕ן כֹּ֥ה אָמַ֖ר יְהוָ֣ה צְבָא֑וֹת יַ֕עַן אֲשֶׁ֥ר לֹֽא שְׁמַעְתֶּ֖ם אֶת דְּבָרָֽ/י־־׃
STATEN

Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;

9
הִנְ/נִ֣י שֹׁלֵ֡חַ וְ/לָקַחְתִּי֩ אֶת כָּל מִשְׁפְּח֨וֹת צָפ֜וֹן נְאֻם יְהוָ֗ה וְ/אֶל נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר מֶֽלֶךְ בָּבֶל֮ עַבְדִּ/י֒ וַ/הֲבִ֨אֹתִ֜י/ם עַל הָ/אָ֤רֶץ הַ/זֹּאת֙ וְ/עַל יֹ֣שְׁבֶ֔י/הָ וְ/עַ֛ל כָּל הַ/גּוֹיִ֥ם הָ/אֵ֖לֶּה סָבִ֑יב וְ/הַ֣חֲרַמְתִּ֔י/ם וְ/שַׂמְתִּי/ם֙ לְ/שַׁמָּ֣ה וְ/לִ/שְׁרֵקָ֔ה וּ/לְ/חָרְב֖וֹת עוֹלָֽם־־־־־־־־׃
STATEN

Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrézar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.

10
וְ/הַאֲבַדְתִּ֣י מֵ/הֶ֗ם ק֤וֹל שָׂשׂוֹן֙ וְ/ק֣וֹל שִׂמְחָ֔ה ק֥וֹל חָתָ֖ן וְ/ק֣וֹל כַּלָּ֑ה ק֥וֹל רֵחַ֖יִם וְ/א֥וֹר נֵֽר׃
STATEN

En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.

11
וְ/הָֽיְתָה֙ כָּל הָ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֔את לְ/חָרְבָּ֖ה לְ/שַׁמָּ֑ה וְ/עָ֨בְד֜וּ הַ/גּוֹיִ֥ם הָ/אֵ֛לֶּה אֶת מֶ֥לֶךְ בָּבֶ֖ל שִׁבְעִ֥ים שָׁנָֽה־־׃
STATEN

En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.

12
וְ/הָיָ֣ה כִ/מְלֹ֣אות שִׁבְעִ֣ים שָׁנָ֡ה אֶפְקֹ֣ד עַל מֶֽלֶךְ בָּבֶל֩ וְ/עַל הַ/גּ֨וֹי הַ/ה֧וּא נְאֻם יְהוָ֛ה אֶת עֲוֺנָ֖/ם וְ/עַל אֶ֣רֶץ כַּשְׂדִּ֑ים וְ/שַׂמְתִּ֥י אֹת֖/וֹ לְ/שִֽׁמְמ֥וֹת עוֹלָֽם־־־־־־׃
STATEN

Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 25

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 25 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →