Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 26

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בְּ/רֵאשִׁ֗ית מַמְלְכ֛וּת יְהוֹיָקִ֥ים בֶּן יֹאשִׁיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה הָיָה֙ הַ/דָּבָ֣ר הַ/זֶּ֔ה מֵ/אֵ֥ת יְהוָ֖ה לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

In het begin des koninkrijks van Jójakim, den zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:

2
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה עֲמֹד֮ בַּ/חֲצַ֣ר בֵּית יְהוָה֒ וְ/דִבַּרְתָּ֞ עַל כָּל עָרֵ֣י יְהוּדָ֗ה הַ/בָּאִים֙ לְ/הִשְׁתַּחֲוֺ֣ת בֵּית יְהוָ֔ה אֵ֚ת כָּל הַ/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר צִוִּיתִ֖י/ךָ לְ/דַבֵּ֣ר אֲלֵי/הֶ֑ם אַל תִּגְרַ֖ע דָּבָֽר׀־־־־־־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Sta in het voorhof van het huis des HEEREN, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis des HEEREN, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af.

3
אוּלַ֣י יִשְׁמְע֔וּ וְ/יָשֻׁ֕בוּ אִ֖ישׁ מִ/דַּרְכּ֣/וֹ הָ/רָעָ֑ה וְ/נִחַמְתִּ֣י אֶל הָ/רָעָ֗ה אֲשֶׁ֨ר אָנֹכִ֤י חֹשֵׁב֙ לַ/עֲשׂ֣וֹת לָ/הֶ֔ם מִ/פְּנֵ֖י רֹ֥עַ מַעַלְלֵי/הֶֽם־׃
STATEN

Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; zo zou Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen.

4
וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּ֖ה אָמַ֣ר יְהוָ֑ה אִם לֹ֤א תִשְׁמְעוּ֙ אֵלַ֔/י לָ/לֶ֨כֶת֙ בְּ/ת֣וֹרָתִ֔/י אֲשֶׁ֥ר נָתַ֖תִּי לִ/פְנֵי/כֶֽם־׃
STATEN

Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb;

5
לִ/שְׁמֹ֗עַ עַל דִּבְרֵ֨י עֲבָדַ֣/י הַ/נְּבִאִ֔ים אֲשֶׁ֥ר אָנֹכִ֖י שֹׁלֵ֣חַ אֲלֵי/כֶ֑ם וְ/הַשְׁכֵּ֥ם וְ/שָׁלֹ֖חַ וְ/לֹ֥א שְׁמַעְתֶּֽם־׃
STATEN

Horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zende, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt;

6
וְ/נָתַתִּ֛י אֶת הַ/בַּ֥יִת הַ/זֶּ֖ה כְּ/שִׁלֹ֑ה וְ/אֶת הָ/עִ֤יר ה/זאתה אֶתֵּ֣ן לִ/קְלָלָ֔ה לְ/כֹ֖ל גּוֹיֵ֥י הָ/אָֽרֶץ־־׃ס הַ/זֹּאת֙
STATEN

Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek allen volken der aarde.

7
וַֽ/יִּשְׁמְע֛וּ הַ/כֹּהֲנִ֥ים וְ/הַ/נְּבִאִ֖ים וְ/כָל הָ/עָ֑ם אֶֽת יִרְמְיָ֔הוּ מְדַבֵּ֛ר אֶת הַ/דְּבָרִ֥ים הָ/אֵ֖לֶּה בְּ/בֵ֥ית יְהוָֽה־־־׃
STATEN

En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jeremía deze woorden spreken in het huis des HEEREN.

8
וַ/יְהִ֣י כְּ/כַלּ֣וֹת יִרְמְיָ֗הוּ לְ/דַבֵּר֙ אֵ֣ת כָּל אֲשֶׁר צִוָּ֣ה יְהוָ֔ה לְ/דַבֵּ֖ר אֶל כָּל הָ/עָ֑ם וַ/יִּתְפְּשׂ֨וּ אֹת֜/וֹ הַ/כֹּהֲנִ֧ים וְ/הַ/נְּבִאִ֛ים וְ/כָל הָ/עָ֥ם לֵ/אמֹ֖ר מ֥וֹת תָּמֽוּת׀־־־־־׃
STATEN

Zo geschiedde het, als Jeremía geëindigd had te spreken alles, wat de HEERE geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: Gij zult den dood sterven!

9
מַדּוּעַ֩ נִבֵּ֨יתָ בְ/שֵׁם יְהוָ֜ה לֵ/אמֹ֗ר כְּ/שִׁלוֹ֙ יִֽהְיֶה֙ הַ/בַּ֣יִת הַ/זֶּ֔ה וְ/הָ/עִ֥יר הַ/זֹּ֛את תֶּחֱרַ֖ב מֵ/אֵ֣ין יוֹשֵׁ֑ב וַ/יִּקָּהֵ֧ל כָּל הָ/עָ֛ם אֶֽל יִרְמְיָ֖הוּ בְּ/בֵ֥ית יְהוָֽה־־־׃
STATEN

Waarom hebt gij in den Naam des HEEREN geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het ganse volk werd vergaderd tegen Jeremía, in het huis des HEEREN.

10
וַֽ/יִּשְׁמְע֣וּ שָׂרֵ֣י יְהוּדָ֗ה אֵ֚ת הַ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה וַ/יַּעֲל֥וּ מִ/בֵּית הַ/מֶּ֖לֶךְ בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וַ/יֵּֽשְׁב֛וּ בְּ/פֶ֥תַח שַֽׁעַר יְהוָ֖ה הֶ/חָדָֽשׁ׀־־׃ס
STATEN

Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des konings naar het huis des HEEREN; en zij zetten zich bij de deur der nieuwe poort des HEEREN.

11
וַ/יֹּ֨אמְר֜וּ הַ/כֹּהֲנִ֤ים וְ/הַ/נְּבִאִים֙ אֶל הַ/שָּׂרִ֔ים וְ/אֶל כָּל הָ/עָ֖ם לֵ/אמֹ֑ר מִשְׁפַּט מָ֨וֶת֙ לָ/אִ֣ישׁ הַ/זֶּ֔ה כִּ֤י נִבָּא֙ אֶל הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את כַּ/אֲשֶׁ֥ר שְׁמַעְתֶּ֖ם בְּ/אָזְנֵי/כֶֽם־־־־־׃
STATEN

Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als gij met uw oren gehoord hebt.

12
וַ/יֹּ֤אמֶר יִרְמְיָ֨הוּ֙ אֶל כָּל הַ/שָּׂרִ֔ים וְ/אֶל כָּל הָ/עָ֖ם לֵ/אמֹ֑ר יְהוָ֣ה שְׁלָחַ֗/נִי לְ/הִנָּבֵ֞א אֶל הַ/בַּ֤יִת הַ/זֶּה֙ וְ/אֶל הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֔את אֵ֥ת כָּל הַ/דְּבָרִ֖ים אֲשֶׁ֥ר שְׁמַעְתֶּֽם־־־־־־־׃
STATEN

Maar Jeremía sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: De HEERE heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die gij gehoord hebt;

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 26

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 26 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →