Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 42

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַֽ/יִּגְּשׁוּ֙ כָּל שָׂרֵ֣י הַ/חֲיָלִ֔ים וְ/יֽוֹחָנָן֙ בֶּן קָרֵ֔חַ וִֽ/יזַנְיָ֖ה בֶּן הוֹשַֽׁעְיָ֑ה וְ/כָל הָ/עָ֖ם מִ/קָּטֹ֥ן וְ/עַד גָּדֽוֹל־־־־־׃
STATEN

Toen traden toe alle oversten der heiren, Jóhanan, de zoon van Karéah, en Jezánja, de zoon van Hosája, en al het volk, van den kleinste tot den grootste toe;

2
וַ/יֹּאמְר֞וּ אֶֽל יִרְמְיָ֣הוּ הַ/נָּבִ֗יא תִּפָּל נָ֤א תְחִנָּתֵ֨/נוּ֙ לְ/פָנֶ֔י/ךָ וְ/הִתְפַּלֵּ֤ל בַּעֲדֵ֨/נוּ֙ אֶל יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ בְּעַ֖ד כָּל הַ/שְּׁאֵרִ֣ית הַ/זֹּ֑את כִּֽי נִשְׁאַ֤רְנוּ מְעַט֙ מֵֽ/הַרְבֵּ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֥ר עֵינֶ֖י/ךָ רֹא֥וֹת אֹתָֽ/נוּ־־־־־׃
STATEN

En zij zeiden tot den profeet Jeremía: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den HEERE, uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;

3
וְ/יַגֶּד לָ֨/נוּ֙ יְהוָ֣ה אֱלֹהֶ֔י/ךָ אֶת הַ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁ֣ר נֵֽלֶךְ בָּ֑/הּ וְ/אֶת הַ/דָּבָ֖ר אֲשֶׁ֥ר נַעֲשֶֽׂה־־־־׃
STATEN

Dat ons de HEERE, uw God, bekend make den weg, dien wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen.

4
וַ/יֹּ֨אמֶר אֲלֵי/הֶ֜ם יִרְמְיָ֤הוּ הַ/נָּבִיא֙ שָׁמַ֔עְתִּי הִנְ/נִ֧י מִתְפַּלֵּ֛ל אֶל יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶ֖ם כְּ/דִבְרֵי/כֶ֑ם וְֽ/הָיָ֡ה כָּֽל הַ/דָּבָר֩ אֲשֶׁר יַעֲנֶ֨ה יְהוָ֤ה אֶתְ/כֶם֙ אַגִּ֣יד לָ/כֶ֔ם לֹֽא אֶמְנַ֥ע מִ/כֶּ֖ם דָּבָֽר־־־־׃
STATEN

En de profeet Jeremía zeide tot hen: Ik heb het gehoord; ziet, ik zal tot den HEERE, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal geschieden, het ganse woord, dat de HEERE u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet een woord onthouden.

5
וְ/הֵ֨מָּה֙ אָמְר֣וּ אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ יְהִ֤י יְהוָה֙ בָּ֔/נוּ לְ/עֵ֖ד אֱמֶ֣ת וְ/נֶאֱמָ֑ן אִם לֹ֡א כְּֽ/כָל הַ֠/דָּבָר אֲשֶׁ֨ר יִֽשְׁלָחֲ/ךָ֜ יְהוָ֧ה אֱלֹהֶ֛י/ךָ אֵלֵ֖י/נוּ כֵּ֥ן נַעֲשֶֽׂה־־־׃
STATEN

Toen zeiden zij tot Jeremía: De HEERE zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de HEERE, uw God, tot ons zal zenden, alzo zullen doen!

6
אִם ט֣וֹב וְ/אִם רָ֔ע בְּ/ק֣וֹל יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֗י/נוּ אֲשֶׁ֨ר אנו שֹׁלְחִ֥ים אֹתְ/ךָ֛ אֵלָ֖י/ו נִשְׁמָ֑ע לְמַ֨עַן֙ אֲשֶׁ֣ר יִֽיטַב לָ֔/נוּ כִּ֣י נִשְׁמַ֔ע בְּ/ק֖וֹל יְהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי/נוּ־־׀־׃ס אֲנַ֜חְנוּ
STATEN

Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des HEEREN, onzes Gods, tot Welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons welga, wanneer wij der stem des HEEREN, onzes Gods, zullen gehoorzaam zijn.

7
וַ/יְהִ֕י מִ/קֵּ֖ץ עֲשֶׂ֣רֶת יָמִ֑ים וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֶֽל יִרְמְיָֽהוּ־־׃
STATEN

En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremía geschiedde.

8
וַ/יִּקְרָ֗א אֶל יֽוֹחָנָן֙ בֶּן קָרֵ֔חַ וְ/אֶ֛ל כָּל שָׂרֵ֥י הַ/חֲיָלִ֖ים אֲשֶׁ֣ר אִתּ֑/וֹ וּ/לְ/כָ֨ל הָ/עָ֔ם לְ/מִ/קָּטֹ֥ן וְ/עַד גָּדֽוֹל־־־־־׃
STATEN

Toen riep hij Jóhanan, den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe;

9
וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּֽה אָמַ֥ר יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל אֲשֶׁ֨ר שְׁלַחְתֶּ֤ם אֹתִ/י֙ אֵלָ֔י/ו לְ/הַפִּ֥יל תְּחִנַּתְ/כֶ֖ם לְ/פָנָֽי/ו־׃
STATEN

En hij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls, tot Welken gij mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:

10
אִם שׁ֤וֹב תֵּֽשְׁבוּ֙ בָּ/אָ֣רֶץ הַ/זֹּ֔את וּ/בָנִ֤יתִי אֶתְ/כֶם֙ וְ/לֹ֣א אֶהֱרֹ֔ס וְ/נָטַעְתִּ֥י אֶתְ/כֶ֖ם וְ/לֹ֣א אֶתּ֑וֹשׁ כִּ֤י נִחַ֨מְתִּי֙ אֶל הָ֣/רָעָ֔ה אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֖יתִי לָ/כֶֽם־־׃
STATEN

Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb.

11
אַל תִּֽירְא֗וּ מִ/פְּנֵי֙ מֶ֣לֶךְ בָּבֶ֔ל אֲשֶׁר אַתֶּ֥ם יְרֵאִ֖ים מִ/פָּנָ֑י/ו אַל תִּֽירְא֤וּ מִמֶּ֨/נּוּ֙ נְאֻם יְהוָ֔ה כִּֽי אִתְּ/כֶ֣ם אָ֔נִי לְ/הוֹשִׁ֧יעַ אֶתְ/כֶ֛ם וּ/לְ/הַצִּ֥יל אֶתְ/כֶ֖ם מִ/יָּדֽ/וֹ־־־־־׃
STATEN

Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de HEERE; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden.

12
וְ/אֶתֵּ֥ן לָ/כֶ֛ם רַחֲמִ֖ים וְ/רִחַ֣ם אֶתְ/כֶ֑ם וְ/הֵשִׁ֥יב אֶתְ/כֶ֖ם אֶל אַדְמַתְ/כֶֽם־׃
STATEN

En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 42

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 42 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →