Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 17

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
חַטַּ֣את יְהוּדָ֗ה כְּתוּבָ֛ה בְּ/עֵ֥ט בַּרְזֶ֖ל בְּ/צִפֹּ֣רֶן שָׁמִ֑יר חֲרוּשָׁה֙ עַל ל֣וּחַ לִבָּ֔/ם וּ/לְ/קַרְנ֖וֹת מִזְבְּחוֹתֵי/כֶֽם־׃
STATEN

De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren;

2
כִּ/זְכֹּ֤ר בְּנֵי/הֶם֙ מִזְבְּחוֹתָ֔/ם וַ/אֲשֵׁרֵי/הֶ֖ם עַל עֵ֣ץ רַֽעֲנָ֑ן עַ֖ל גְּבָע֥וֹת הַ/גְּבֹהֽוֹת־׃
STATEN

Gelijk hun kinderen hunner altaren gedenken, en hunner bossen, bij het groen geboomte, op de hoge heuvelen.

3
הֲרָרִ/י֙ בַּ/שָּׂדֶ֔ה חֵילְ/ךָ֥ כָל אוֹצְרוֹתֶ֖י/ךָ לָ/בַ֣ז אֶתֵּ֑ן בָּמֹתֶ֕י/ךָ בְּ/חַטָּ֖את בְּ/כָל גְּבוּלֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.

4
וְ/שָׁמַטְתָּ֗ה וּ/בְ/ךָ֙ מִ/נַּחֲלָֽתְ/ךָ֙ אֲשֶׁ֣ר נָתַ֣תִּי לָ֔/ךְ וְ/הַעֲבַדְתִּ֨י/ךָ֙ אֶת אֹ֣יְבֶ֔י/ךָ בָּ/אָ֖רֶץ אֲשֶׁ֣ר לֹֽא יָדָ֑עְתָּ כִּֽי אֵ֛שׁ קְדַחְתֶּ֥ם בְּ/אַפִּ֖/י עַד עוֹלָ֥ם תּוּקָֽד־־־־׃ס
STATEN

Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat gij niet kent; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.

5
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אָר֤וּר הַ/גֶּ֨בֶר֙ אֲשֶׁ֣ר יִבְטַ֣ח בָּֽ/אָדָ֔ם וְ/שָׂ֥ם בָּשָׂ֖ר זְרֹע֑/וֹ וּ/מִן יְהוָ֖ה יָס֥וּר לִבּֽ/וֹ׀־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!

6
וְ/הָיָה֙ כְּ/עַרְעָ֣ר בָּֽ/עֲרָבָ֔ה וְ/לֹ֥א יִרְאֶ֖ה כִּי יָב֣וֹא ט֑וֹב וְ/שָׁכַ֤ן חֲרֵרִים֙ בַּ/מִּדְבָּ֔ר אֶ֥רֶץ מְלֵחָ֖ה וְ/לֹ֥א תֵשֵֽׁב־׃ס
STATEN

Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.

7
בָּר֣וּךְ הַ/גֶּ֔בֶר אֲשֶׁ֥ר יִבְטַ֖ח בַּֽ/יהוָ֑ה וְ/הָיָ֥ה יְהוָ֖ה מִבְטַחֽ/וֹ׃
STATEN

Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!

8
וְ/הָיָ֞ה כְּ/עֵ֣ץ שָׁת֣וּל עַל מַ֗יִם וְ/עַל יוּבַל֙ יְשַׁלַּ֣ח שָֽׁרָשָׁ֔י/ו וְ/לֹ֤א ירא כִּֽי יָבֹ֣א חֹ֔ם וְ/הָיָ֥ה עָלֵ֖/הוּ רַֽעֲנָ֑ן וּ/בִ/שְׁנַ֤ת בַּצֹּ֨רֶת֙ לֹ֣א יִדְאָ֔ג וְ/לֹ֥א יָמִ֖ישׁ מֵ/עֲשׂ֥וֹת פֶּֽרִי׀־־־׃ יִרְאֶה֙
STATEN

Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.

9
עָקֹ֥ב הַ/לֵּ֛ב מִ/כֹּ֖ל וְ/אָנֻ֣שׁ ה֑וּא מִ֖י יֵדָעֶֽ/נּוּ׃
STATEN

Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?

10
אֲנִ֧י יְהוָ֛ה חֹקֵ֥ר לֵ֖ב בֹּחֵ֣ן כְּלָי֑וֹת וְ/לָ/תֵ֤ת לְ/אִישׁ֙ כ/דרכ/ו כִּ/פְרִ֖י מַעֲלָלָֽי/ו כִּ/דְרָכָ֔י/ו׃ס
STATEN

Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

11
קֹרֵ֤א דָגַר֙ וְ/לֹ֣א יָלָ֔ד עֹ֥שֶׂה עֹ֖שֶׁר וְ/לֹ֣א בְ/מִשְׁפָּ֑ט בַּ/חֲצִ֤י ימ/ו יַעַזְבֶ֔/נּוּ וּ/בְ/אַחֲרִית֖/וֹ יִהְיֶ֥ה נָבָֽל יָמָי/ו֙׃
STATEN

Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

12
כִּסֵּ֣א כָב֔וֹד מָר֖וֹם מֵֽ/רִאשׁ֑וֹן מְק֖וֹם מִקְדָּשֵֽׁ/נוּ׃
STATEN

Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 17

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 17 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →