Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 36

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַֽ/יְהִי֙ בַּ/שָּׁנָ֣ה הָ/רְבִיעִ֔ת לִ/יהוֹיָקִ֥ים בֶּן יֹאשִׁיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה הָיָ֞ה הַ/דָּבָ֤ר הַ/זֶּה֙ אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ מֵ/אֵ֥ת יְהוָ֖ה לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremía geschiedde van den HEERE, zeggende:

2
קַח לְ/ךָ֮ מְגִלַּת סֵפֶר֒ וְ/כָתַבְתָּ֣ אֵלֶ֗י/הָ אֵ֣ת כָּל הַ/דְּבָרִ֞ים אֲשֶׁר דִּבַּ֧רְתִּי אֵלֶ֛י/ךָ עַל יִשְׂרָאֵ֥ל וְ/עַל יְהוּדָ֖ה וְ/עַל כָּל הַ/גּוֹיִ֑ם מִ/יּ֞וֹם דִּבַּ֤רְתִּי אֵלֶ֨י/ךָ֙ מִ/ימֵ֣י יֹאשִׁיָּ֔הוּ וְ/עַ֖ד הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־־־־׃
STATEN

Neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van den dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josía aan, tot op dezen dag.

3
אוּלַ֤י יִשְׁמְעוּ֙ בֵּ֣ית יְהוּדָ֔ה אֵ֚ת כָּל הָ֣/רָעָ֔ה אֲשֶׁ֛ר אָנֹכִ֥י חֹשֵׁ֖ב לַ/עֲשׂ֣וֹת לָ/הֶ֑ם לְמַ֣עַן יָשׁ֗וּבוּ אִ֚ישׁ מִ/דַּרְכּ֣/וֹ הָ/רָעָ֔ה וְ/סָלַחְתִּ֥י לַ/עֲוֺנָ֖/ם וּ/לְ/חַטָּאתָֽ/ם־׃ס
STATEN

Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve.

4
וַ/יִּקְרָ֣א יִרְמְיָ֔הוּ אֶת בָּר֖וּךְ בֶּן נֵֽרִיָּ֑ה וַ/יִּכְתֹּ֨ב בָּר֜וּךְ מִ/פִּ֣י יִרְמְיָ֗הוּ אֵ֣ת כָּל דִּבְרֵ֧י יְהוָ֛ה אֲשֶׁר דִּבֶּ֥ר אֵלָ֖י/ו עַל מְגִלַּת סֵֽפֶר־־־־־־׃
STATEN

Toen riep Jeremía Baruch, den zoon van Nerija; en Baruch schreef uit den mond van Jeremía alle woorden des HEEREN, die Hij tot hem gesproken had, op een rol des boeks.

5
וַ/יְצַוֶּ֣ה יִרְמְיָ֔הוּ אֶת בָּר֖וּךְ לֵ/אמֹ֑ר אֲנִ֣י עָצ֔וּר לֹ֣א אוּכַ֔ל לָ/ב֖וֹא בֵּ֥ית יְהוָֽה־׃
STATEN

En Jeremía gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des HEEREN huis niet kunnen gaan.

6
וּ/בָאתָ֣ אַתָּ֡ה וְ/קָרָ֣אתָ בַ/מְּגִלָּ֣ה אֲשֶׁר כָּתַֽבְתָּ מִ/פִּ/י֩ אֶת דִּבְרֵ֨י יְהוָ֜ה בְּ/אָזְנֵ֥י הָ/עָ֛ם בֵּ֥ית יְהוָ֖ה בְּ/י֣וֹם צ֑וֹם וְ/גַ֨ם בְּ/אָזְנֵ֧י כָל יְהוּדָ֛ה הַ/בָּאִ֥ים מֵ/עָרֵי/הֶ֖ם תִּקְרָאֵֽ/ם־־־־׃
STATEN

Zo ga gij henen, en lees in de rol, in dewelke gij uit mijn mond geschreven hebt, de woorden des HEEREN, voor de oren des volks, in des HEEREN huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van gans Juda, die uit hun steden komen.

7
אוּלַ֞י תִּפֹּ֤ל תְּחִנָּתָ/ם֙ לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֔ה וְ/יָשֻׁ֕בוּ אִ֖ישׁ מִ/דַּרְכּ֣/וֹ הָ/רָעָ֑ה כִּֽי גָד֤וֹל הָ/אַף֙ וְ/הַ֣/חֵמָ֔ה אֲשֶׁר דִּבֶּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל הָ/עָ֥ם הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

Misschien zal hunlieder smeking voor des HEEREN aangezicht nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die de HEERE tegen dit volk heeft uitgesproken.

8
וַ/יַּ֗עַשׂ בָּרוּךְ֙ בֶּן נֵ֣רִיָּ֔ה כְּ/כֹ֥ל אֲשֶׁר צִוָּ֖/הוּ יִרְמְיָ֣הוּ הַ/נָּבִ֑יא לִ/קְרֹ֥א בַ/סֵּ֛פֶר דִּבְרֵ֥י יְהוָ֖ה בֵּ֥ית יְהֹוָֽה־־׃ס
STATEN

En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremía geboden had, lezende in dat boek de woorden des HEEREN, in het huis des HEEREN.

9
וַ/יְהִ֣י בַ/שָּׁנָ֣ה הַ֠/חֲמִשִׁית לִ/יהוֹיָקִ֨ים בֶּן יֹאשִׁיָּ֤הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָה֙ בַּ/חֹ֣דֶשׁ הַ/תְּשִׁעִ֔י קָרְא֨וּ צ֜וֹם לִ/פְנֵ֧י יְהוָ֛ה כָּל הָ/עָ֖ם בִּ/ירֽוּשָׁלִָ֑ם וְ/כָל הָ/עָ֗ם הַ/בָּאִ֛ים מֵ/עָרֵ֥י יְהוּדָ֖ה בִּ/ירוּשָׁלִָֽם־־־־׃
STATEN

Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

10
וַ/יִּקְרָ֨א בָר֥וּךְ בַּ/סֵּ֛פֶר אֶת דִּבְרֵ֥י יִרְמְיָ֖הוּ בֵּ֣ית יְהוָ֑ה בְּ/לִשְׁכַּ֡ת גְּמַרְיָהוּ֩ בֶן שָׁפָ֨ן הַ/סֹּפֵ֜ר בֶּ/חָצֵ֣ר הָ/עֶלְי֗וֹן פֶּ֣תַח שַׁ֤עַר בֵּית יְהוָה֙ הֶֽ/חָדָ֔שׁ בְּ/אָזְנֵ֖י כָּל הָ/עָֽם־־־־׃
STATEN

Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremía in des HEEREN huis, in de kamer van Gemárja, den zoon van Safan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het huis des HEEREN, voor de oren des gansen volks.

11
וַ֠/יִּשְׁמַ֗ע מִכָ֨יְהוּ בֶן גְּמַרְיָ֧הוּ בֶן שָׁפָ֛ן אֶת כָּל דִּבְרֵ֥י יְהוָ֖ה מֵ/עַ֥ל הַ/סֵּֽפֶר־־־־׃
STATEN

Als nu Michája, de zoon van Gemárja, den zoon van Safan, al de woorden des HEEREN uit dat boek gehoord had;

12
וַ/יֵּ֤רֶד בֵּית הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ עַל לִשְׁכַּ֣ת הַ/סֹּפֵ֔ר וְ/הִ֨נֵּה שָׁ֔ם כָּל הַ/שָּׂרִ֖ים יֽוֹשְׁבִ֑ים אֱלִישָׁמָ֣ע הַ/סֹּפֵ֡ר וּ/דְלָיָ֣הוּ בֶן שְׁ֠מַעְיָהוּ וְ/אֶלְנָתָ֨ן בֶּן עַכְבּ֜וֹר וּ/גְמַרְיָ֧הוּ בֶן שָׁפָ֛ן וְ/צִדְקִיָּ֥הוּ בֶן חֲנַנְיָ֖הוּ וְ/כָל הַ/שָּׂרִֽים־־־־־־־־־׃
STATEN

Zo ging hij af ten huize des konings in de kamer des schrijvers; en ziet, aldaar zaten al de vorsten: Elísama, de schrijver, en Delája, de zoon van Semája, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemárja, de zoon van Safan, en Zedekía, de zoon van Hanánja, en al de vorsten.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 36

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 36 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →