Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 37

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּ֨מְלָךְ מֶ֔לֶךְ צִדְקִיָּ֖הוּ בֶּן יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ תַּ֗חַת כָּנְיָ֨הוּ֙ בֶּן יְה֣וֹיָקִ֔ים אֲשֶׁ֥ר הִמְלִ֛יךְ נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֖ל בְּ/אֶ֥רֶץ יְהוּדָֽה־־־־׃
STATEN

En Zedekía, zoon van Josía, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jójakims zoon, welken Zedekía Nebukadrézar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.

2
וְ/לֹ֥א שָׁמַ֛ע ה֥וּא וַ/עֲבָדָ֖י/ו וְ/עַ֣ם הָ/אָ֑רֶץ אֶל דִּבְרֵ֣י יְהוָ֔ה אֲשֶׁ֣ר דִּבֶּ֔ר בְּ/יַ֖ד יִרְמְיָ֥הוּ הַ/נָּבִֽיא־׃
STATEN

Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des HEEREN, die Hij sprak door den dienst van den profeet Jeremía.

3
וַ/יִּשְׁלַח֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ צִדְקִיָּ֜הוּ אֶת יְהוּכַ֣ל בֶּן שֶֽׁלֶמְיָ֗ה וְ/אֶת צְפַנְיָ֤הוּ בֶן מַֽעֲשֵׂיָה֙ הַ/כֹּהֵ֔ן אֶל יִרְמְיָ֥הוּ הַ/נָּבִ֖יא לֵ/אמֹ֑ר הִתְפַּלֶּל נָ֣א בַעֲדֵ֔/נוּ אֶל יְהוָ֖ה אֱלֹהֵֽי/נוּ־־־־־־־׃
STATEN

Nochtans zond de koning Zedekía Juchal, den zoon van Selémja, en Sefánja, den zoon van Maäséja, den priester, tot den profeet Jeremía, om te zeggen: Bid toch voor ons tot den HEERE, onzen God!

4
וְ/יִרְמְיָ֕הוּ בָּ֥א וְ/יֹצֵ֖א בְּ/ת֣וֹךְ הָ/עָ֑ם וְ/לֹֽא נָתְנ֥וּ אֹת֖/וֹ בֵּ֥ית ה/כליא־׃ הַ/כְּלֽוּא
STATEN

(Want Jeremía was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.

5
וְ/חֵ֥יל פַּרְעֹ֖ה יָצָ֣א מִ/מִּצְרָ֑יִם וַ/יִּשְׁמְע֨וּ הַ/כַּשְׂדִּ֜ים הַ/צָּרִ֤ים עַל יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ אֶת שִׁמְעָ֔/ם וַ/יֵּ֣עָל֔וּ מֵ/עַ֖ל יְרוּשָׁלִָֽם־־׃פ
STATEN

En Faraö's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).

6
וַֽ/יְהִי֙ דְּבַר יְהוָ֔ה אֶל יִרְמְיָ֥הוּ הַ/נָּבִ֖יא לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremía, zeggende:

7
כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל כֹּ֤ה תֹֽאמְרוּ֙ אֶל מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֔ה הַ/שֹּׁלֵ֧חַ אֶתְ/כֶ֛ם אֵלַ֖/י לְ/דָרְשֵׁ֑/נִי הִנֵּ֣ה חֵ֣יל פַּרְעֹ֗ה הַ/יֹּצֵ֤א לָ/כֶם֙ לְ/עֶזְרָ֔ה שָׁ֥ב לְ/אַרְצ֖/וֹ מִצְרָֽיִם־־׀׃
STATEN

Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Faraö's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;

8
וְ/שָׁ֨בוּ֙ הַ/כַּשְׂדִּ֔ים וְ/נִלְחֲמ֖וּ עַל הָ/עִ֣יר הַ/זֹּ֑את וּ/לְכָדֻ֖/הָ וּ/שְׂרָפֻ֥/הָ בָ/אֵֽשׁ־׃ס
STATEN

En de Chaldeeën zullen wederkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden.

9
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה אַל תַּשִּׁ֤אוּ נַפְשֹֽׁתֵי/כֶם֙ לֵ/אמֹ֔ר הָלֹ֛ךְ יֵלְכ֥וּ מֵ/עָלֵ֖י/נוּ הַ/כַּשְׂדִּ֑ים כִּי לֹ֖א יֵלֵֽכוּ׀־־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.

10
כִּ֣י אִם הִכִּיתֶ֞ם כָּל חֵ֤יל כַּשְׂדִּים֙ הַ/נִּלְחָמִ֣ים אִתְּ/כֶ֔ם וְ/נִ֨שְׁאֲרוּ בָ֔/ם אֲנָשִׁ֖ים מְדֻקָּרִ֑ים אִ֤ישׁ בְּ/אָהֳל/וֹ֙ יָק֔וּמוּ וְ/שָֽׂרְפ֛וּ אֶת הָ/עִ֥יר הַ/זֹּ֖את בָּ/אֵֽשׁ־־־׃
STATEN

Want al sloegt gijlieden het ganse heir der Chaldeeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een iegelijk in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden.

11
וְ/הָיָ֗ה בְּ/הֵֽעָלוֹת֙ חֵ֣יל הַ/כַּשְׂדִּ֔ים מֵ/עַ֖ל יְרֽוּשָׁלִָ֑ם מִ/פְּנֵ֖י חֵ֥יל פַּרְעֹֽה׃ס
STATEN

Voorts geschiedde het, als het heir der Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Faraö's heir;

12
וַ/יֵּצֵ֤א יִרְמְיָ֨הוּ֙ מִ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם לָ/לֶ֖כֶת אֶ֣רֶץ בִּנְיָמִ֑ן לַ/חֲלִ֥ק מִ/שָּׁ֖ם בְּ/ת֥וֹךְ הָ/עָֽם׃
STATEN

Dat Jeremía uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden des volks.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 37

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 37 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →