Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 6

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הָעִ֣זוּ בְּנֵ֣י בִניָמִ֗ן מִ/קֶּ֨רֶב֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וּ/בִ/תְק֨וֹעַ֙ תִּקְע֣וּ שׁוֹפָ֔ר וְ/עַל בֵּ֥ית הַכֶּ֖רֶם שְׂא֣וּ מַשְׂאֵ֑ת כִּ֥י רָעָ֛ה נִשְׁקְפָ֥ה מִ/צָּפ֖וֹן וְ/שֶׁ֥בֶר גָּדֽוֹל׀־׃
STATEN

Vlucht met hopen, gij kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekóa, en heft een vuurteken op te Beth-Cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.

2
הַ/נָּוָה֙ וְ/הַ/מְּעֻנָּגָ֔ה דָּמִ֖יתִי בַּת צִיּֽוֹן־׃
STATEN

Ik heb wel de dochter Sions bij een schone en wellustige vrouw vergeleken;

3
אֵלֶ֛י/הָ יָבֹ֥אוּ רֹעִ֖ים וְ/עֶדְרֵי/הֶ֑ם תָּקְע֨וּ עָלֶ֤י/הָ אֹהָלִים֙ סָבִ֔יב רָע֖וּ אִ֥ישׁ אֶת יָדֽ/וֹ־׃
STATEN

Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iegelijk zijn ruimte afweiden.

4
קַדְּשׁ֤וּ עָלֶ֨י/הָ֙ מִלְחָמָ֔ה ק֖וּמוּ וְ/נַעֲלֶ֣ה בַֽ/צָּהֳרָ֑יִם א֥וֹי לָ֨/נוּ֙ כִּי פָנָ֣ה הַ/יּ֔וֹם כִּ֥י יִנָּט֖וּ צִלְלֵי עָֽרֶב־־׃
STATEN

Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op den middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.

5
ק֚וּמוּ וְ/נַעֲלֶ֣ה בַ/לָּ֔יְלָה וְ/נַשְׁחִ֖יתָה אַרְמְנוֹתֶֽי/הָ׃ס
STATEN

Maakt u op, en laat ons optrekken in den nacht, en haar paleizen verderven!

6
כִּ֣י כֹ֤ה אָמַר֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת כִּרְת֣וּ עֵצָ֔ה וְ/שִׁפְכ֥וּ עַל יְרוּשָׁלִַ֖ם סֹלְלָ֑ה הִ֚יא הָ/עִ֣יר הָפְקַ֔ד כֻּלָּ֖/הּ עֹ֥שֶׁק בְּ/קִרְבָּֽ/הּ־׃
STATEN

Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking.

7
כְּ/הָקִ֥יר בור מֵימֶ֔י/הָ כֵּ֖ן הֵקֵ֣רָה רָעָתָ֑/הּ חָמָ֣ס וָ֠/שֹׁד יִשָּׁ֨מַע בָּ֧/הּ עַל פָּנַ֛/י תָּמִ֖יד חֳלִ֥י וּ/מַכָּֽה בַּ֨יִר֙־׃
STATEN

Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.

8
הִוָּסְרִי֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם פֶּן תֵּקַ֥ע נַפְשִׁ֖/י מִמֵּ֑/ךְ פֶּן אֲשִׂימֵ֣/ךְ שְׁמָמָ֔ה אֶ֖רֶץ ל֥וֹא נוֹשָֽׁבָה־־׃פ
STATEN

Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken worde, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land.

9
כֹּ֤ה אָמַר֙ יְהֹוָ֣ה צְבָא֔וֹת עוֹלֵ֛ל יְעוֹלְל֥וּ כַ/גֶּ֖פֶן שְׁאֵרִ֣ית יִשְׂרָאֵ֑ל הָשֵׁב֙ יָדְ/ךָ֔ כְּ/בוֹצֵ֖ר עַל סַלְסִלּֽוֹת־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een wijnlezer, aan de korven.

10
עַל מִ֨י אֲדַבְּרָ֤ה וְ/אָעִ֨ידָה֙ וְ/יִשְׁמָ֔עוּ הִנֵּה֙ עֲרֵלָ֣ה אָזְנָ֔/ם וְ/לֹ֥א יוּכְל֖וּ לְ/הַקְשִׁ֑יב הִנֵּ֣ה דְבַר יְהוָ֗ה הָיָ֥ה לָ/הֶ֛ם לְ/חֶרְפָּ֖ה לֹ֥א יַחְפְּצוּ בֽ/וֹ־־־׃
STATEN

Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.

11
וְ/אֵת֩ חֲמַ֨ת יְהוָ֤ה מָלֵ֨אתִי֙ נִלְאֵ֣יתִי הָכִ֔יל שְׁפֹ֤ךְ עַל עוֹלָל֙ בַּ/ח֔וּץ וְ/עַ֛ל ס֥וֹד בַּחוּרִ֖ים יַחְדָּ֑ו כִּֽי גַם אִ֤ישׁ עִם אִשָּׁה֙ יִלָּכֵ֔דוּ זָקֵ֖ן עִם מְלֵ֥א יָמִֽים׀־־־־־׃
STATEN

Daarom ben ik vol van des HEEREN grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen.

12
וְ/נָסַ֤בּוּ בָֽתֵּי/הֶם֙ לַ/אֲחֵרִ֔ים שָׂד֥וֹת וְ/נָשִׁ֖ים יַחְדָּ֑ו כִּֽי אַטֶּ֧ה אֶת יָדִ֛/י עַל יֹשְׁבֵ֥י הָ/אָ֖רֶץ נְאֻם יְהוָֽה־־־־׃
STATEN

En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de HEERE.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →