NEVIIM

Jeremia 12

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
צַדִּ֤יק אַתָּה֙ יְהוָ֔ה כִּ֥י אָרִ֖יב אֵלֶ֑י/ךָ אַ֤ךְ מִשְׁפָּטִים֙ אֲדַבֵּ֣ר אוֹתָ֔/ךְ מַדּ֗וּעַ דֶּ֤רֶךְ רְשָׁעִים֙ צָלֵ֔חָה שָׁל֖וּ כָּל בֹּ֥גְדֵי בָֽגֶד
STATEN

Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?

2
נְטַעְתָּ/ם֙ גַּם שֹׁרָ֔שׁוּ יֵלְכ֖וּ גַּם עָ֣שׂוּ פֶ֑רִי קָר֤וֹב אַתָּה֙ בְּ/פִי/הֶ֔ם וְ/רָח֖וֹק מִ/כִּלְיוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.

3
וְ/אַתָּ֤ה יְהוָה֙ יְדַעְתָּ֔/נִי תִּרְאֵ֕/נִי וּ/בָחַנְתָּ֥ לִבִּ֖/י אִתָּ֑/ךְ הַתִּקֵ/ם֙ כְּ/צֹ֣אן לְ/טִבְחָ֔ה וְ/הַקְדִּשֵׁ֖/ם לְ/י֥וֹם הֲרֵגָֽה
STATEN

Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.

4
עַד מָתַי֙ תֶּאֱבַ֣ל הָ/אָ֔רֶץ וְ/עֵ֥שֶׂב כָּל הַ/שָּׂדֶ֖ה יִיבָ֑שׁ מֵ/רָעַ֣ת יֹֽשְׁבֵי בָ֗/הּ סָפְתָ֤ה בְהֵמוֹת֙ וָ/ע֔וֹף כִּ֣י אָמְר֔וּ לֹ֥א יִרְאֶ֖ה אֶת אַחֲרִיתֵֽ/נוּ
STATEN

Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.

5
כִּ֣י אֶת רַגְלִ֥ים רַ֨צְתָּה֙ וַ/יַּלְא֔וּ/ךָ וְ/אֵ֥יךְ תְּתַֽחֲרֶ֖ה אֶת הַ/סּוּסִ֑ים וּ/בְ/אֶ֤רֶץ שָׁלוֹם֙ אַתָּ֣ה בוֹטֵ֔חַ וְ/אֵ֥יךְ תַּעֲשֶׂ֖ה בִּ/גְא֥וֹן הַ/יַּרְדֵּֽן
STATEN

Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?

6
כִּ֧י גַם אַחֶ֣י/ךָ וּ/בֵית אָבִ֗י/ךָ גַּם הֵ֨מָּה֙ בָּ֣גְדוּ בָ֔/ךְ גַּם הֵ֛מָּה קָרְא֥וּ אַחֲרֶ֖י/ךָ מָלֵ֑א אַל תַּאֲמֵ֣ן בָּ֔/ם כִּֽי יְדַבְּר֥וּ אֵלֶ֖י/ךָ טוֹבֽוֹת
STATEN

Want ook uw broeders en uws vaders huis, ook diezelve handelen trouwelooslijk tegen u; ook diezelve roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.

7
עָזַ֨בְתִּי֙ אֶת בֵּיתִ֔/י נָטַ֖שְׁתִּי אֶת נַחֲלָתִ֑/י נָתַ֛תִּי אֶת יְדִד֥וּת נַפְשִׁ֖/י בְּ/כַ֥ף אֹיְבֶֽי/הָ
STATEN

Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven.

8
הָיְתָה לִּ֥/י נַחֲלָתִ֖/י כְּ/אַרְיֵ֣ה בַ/יָּ֑עַר נָתְנָ֥ה עָלַ֛/י בְּ/קוֹלָ֖/הּ עַל כֵּ֥ן שְׂנֵאתִֽי/הָ
STATEN

Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.

9
הַ/עַ֨יִט צָב֤וּעַ נַחֲלָתִ/י֙ לִ֔/י הַ/עַ֖יִט סָבִ֣יב עָלֶ֑י/הָ לְכ֗וּ אִסְפ֛וּ כָּל חַיַּ֥ת הַ/שָּׂדֶ֖ה הֵתָ֥יוּ לְ/אָכְלָֽה
STATEN

Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!

10
רֹעִ֤ים רַבִּים֙ שִֽׁחֲת֣וּ כַרְמִ֔/י בֹּסְס֖וּ אֶת חֶלְקָתִ֑/י נָֽתְנ֛וּ אֶת חֶלְקַ֥ת חֶמְדָּתִ֖/י לְ/מִדְבַּ֥ר שְׁמָמָֽה
STATEN

Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis.

11
שָׂמָ/הּ֙ לִ/שְׁמָמָ֔ה אָבְלָ֥ה עָלַ֖/י שְׁמֵמָ֑ה נָשַׁ֨מָּה֙ כָּל הָ/אָ֔רֶץ כִּ֛י אֵ֥ין אִ֖ישׁ שָׂ֥ם עַל לֵֽב
STATEN

Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het ganse land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt.

12
עַֽל כָּל שְׁפָיִ֣ם בַּ/מִּדְבָּ֗ר בָּ֚אוּ שֹֽׁדְדִ֔ים כִּ֣י חֶ֤רֶב לַֽ/יהוָה֙ אֹֽכְלָ֔ה מִ/קְצֵה אֶ֖רֶץ וְ/עַד קְצֵ֣ה הָ/אָ֑רֶץ אֵ֥ין שָׁל֖וֹם לְ/כָל בָּשָֽׂר
STATEN

Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard des HEEREN verteert van het ene einde des lands tot aan het andere einde des lands; er is geen vrede voor enig vlees.

13
זָרְע֤וּ חִטִּים֙ וְ/קֹצִ֣ים קָצָ֔רוּ נֶחְל֖וּ לֹ֣א יוֹעִ֑לוּ וּ/בֹ֨שׁוּ֙ מִ/תְּבוּאֹ֣תֵי/כֶ֔ם מֵ/חֲר֖וֹן אַף יְהוָֽה
STATEN

Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd; wordt alzo beschaamd vanwege ulieder inkomsten, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.

14
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה עַל כָּל שְׁכֵנַ/י֙ הָֽ/רָעִ֔ים הַ/נֹּֽגְעִים֙ בַּֽ/נַּחֲלָ֔ה אֲשֶׁר הִנְחַ֥לְתִּי אֶת עַמִּ֖/י אֶת יִשְׂרָאֵ֑ל הִנְ/נִ֤י נֹֽתְשָׁ/ם֙ מֵ/עַ֣ל אַדְמָתָ֔/ם וְ/אֶת בֵּ֥ית יְהוּדָ֖ה אֶתּ֥וֹשׁ מִ/תּוֹכָֽ/ם
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken.

15
וְ/הָיָ֗ה אַֽחֲרֵי֙ נָתְשִׁ֣/י אוֹתָ֔/ם אָשׁ֖וּב וְ/רִֽחַמְתִּ֑י/ם וַ/הֲשִׁבֹתִ֛י/ם אִ֥ישׁ לְ/נַחֲלָת֖/וֹ וְ/אִ֥ישׁ לְ/אַרְצֽ/וֹ
STATEN

En het zal geschieden, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik wederkeren, en Mij hunner ontfermen; en Ik zal hen wederbrengen, een iegelijk tot zijn erfenis, en een iegelijk tot zijn land.

16
וְ/הָיָ֡ה אִם לָמֹ֣ד יִלְמְדוּ֩ אֶת דַּֽרְכֵ֨י עַמִּ֜/י לְ/הִשָּׁבֵ֤עַ בִּ/שְׁמִ/י֙ חַי יְהוָ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֤ר לִמְּדוּ֙ אֶת עַמִּ֔/י לְ/הִשָּׁבֵ֖עַ בַּ/בָּ֑עַל וְ/נִבְנ֖וּ בְּ/ת֥וֹךְ עַמִּֽ/י
STATEN

En het zal geschieden, indien zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als de HEERE leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden.

17
וְ/אִ֖ם לֹ֣א יִשְׁמָ֑עוּ וְ/נָ֨תַשְׁתִּ֜י אֶת הַ/גּ֥וֹי הַ/ה֛וּא נָת֥וֹשׁ וְ/אַבֵּ֖ד נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

Maar indien zij niet zullen horen, zo zal Ik diezelve natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt de HEERE.