Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 2

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2
הָלֹ֡ךְ וְ/קָֽרָאתָ֩ בְ/אָזְנֵ֨י יְרוּשָׁלִַ֜ם לֵ/אמֹ֗ר כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה זָכַ֤רְתִּי לָ/ךְ֙ חֶ֣סֶד נְעוּרַ֔יִ/ךְ אַהֲבַ֖ת כְּלוּלֹתָ֑יִ/ךְ לֶכְתֵּ֤/ךְ אַחֲרַ/י֙ בַּ/מִּדְבָּ֔ר בְּ/אֶ֖רֶץ לֹ֥א זְרוּעָֽה׃
STATEN

Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.

3
קֹ֤דֶשׁ יִשְׂרָאֵל֙ לַ/יהוָ֔ה רֵאשִׁ֖ית תְּבוּאָתֹ֑/ה כָּל אֹכְלָ֣י/ו יֶאְשָׁ֔מוּ רָעָ֛ה תָּבֹ֥א אֲלֵי/הֶ֖ם נְאֻם יְהוָֽה־־׃פ
STATEN

Israël was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt de HEERE.

4
שִׁמְע֥וּ דְבַר יְהוָ֖ה בֵּ֣ית יַעֲקֹ֑ב וְ/כָֽל מִשְׁפְּח֖וֹת בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵֽל־־׃
STATEN

Hoort des HEEREN woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis Israëls!

5
כֹּ֣ה אָמַ֣ר יְהוָ֗ה מַה מָּצְא֨וּ אֲבוֹתֵי/כֶ֥ם בִּ/י֙ עָ֔וֶל כִּ֥י רָחֲק֖וּ מֵ/עָלָ֑/י וַ/יֵּֽלְכ֛וּ אַחֲרֵ֥י הַ/הֶ֖בֶל וַ/יֶּהְבָּֽלוּ׀־׃
STATEN

Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?

6
וְ/לֹ֣א אָמְר֔וּ אַיֵּ֣ה יְהוָ֔ה הַ/מַּעֲלֶ֥ה אֹתָ֖/נוּ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הַ/מּוֹלִ֨יךְ אֹתָ֜/נוּ בַּ/מִּדְבָּ֗ר בְּ/אֶ֨רֶץ עֲרָבָ֤ה וְ/שׁוּחָה֙ בְּ/אֶ֨רֶץ֙ צִיָּ֣ה וְ/צַלְמָ֔וֶת בְּ/אֶ֗רֶץ לֹֽא עָ֤בַר בָּ/הּ֙ אִ֔ישׁ וְ/לֹֽא יָשַׁ֥ב אָדָ֖ם שָֽׁם־־׃
STATEN

En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?

7
וָ/אָבִ֤יא אֶתְ/כֶם֙ אֶל אֶ֣רֶץ הַ/כַּרְמֶ֔ל לֶ/אֱכֹ֥ל פִּרְיָ֖/הּ וְ/טוּבָ֑/הּ וַ/תָּבֹ֨אוּ֙ וַ/תְּטַמְּא֣וּ אֶת אַרְצִ֔/י וְ/נַחֲלָתִ֥/י שַׂמְתֶּ֖ם לְ/תוֹעֵבָֽה־־׃
STATEN

En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel.

8
הַ/כֹּהֲנִ֗ים לֹ֤א אָֽמְרוּ֙ אַיֵּ֣ה יְהוָ֔ה וְ/תֹפְשֵׂ֤י הַ/תּוֹרָה֙ לֹ֣א יְדָע֔וּ/נִי וְ/הָ/רֹעִ֖ים פָּ֣שְׁעוּ בִ֑/י וְ/הַ/נְּבִיאִים֙ נִבְּא֣וּ בַ/בַּ֔עַל וְ/אַחֲרֵ֥י לֹֽא יוֹעִ֖לוּ הָלָֽכוּ־׃
STATEN

De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.

9
לָ/כֵ֗ן עֹ֛ד אָרִ֥יב אִתְּ/כֶ֖ם נְאֻם יְהוָ֑ה וְ/אֶת בְּנֵ֥י בְנֵי/כֶ֖ם אָרִֽיב־־׃
STATEN

Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE; ja, met uw kindskinderen zal Ik twisten.

10
כִּ֣י עִבְר֞וּ אִיֵּ֤י כִתִּיִּים֙ וּ/רְא֔וּ וְ/קֵדָ֛ר שִׁלְח֥וּ וְ/הִֽתְבּוֹנְנ֖וּ מְאֹ֑ד וּ/רְא֕וּ הֵ֥ן הָיְתָ֖ה כָּ/זֹֽאת׃
STATEN

Want, gaat over in de eilanden der Chitteërs, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?

11
הַ/הֵימִ֥יר גּוֹי֙ אֱלֹהִ֔ים וְ/הֵ֖מָּה לֹ֣א אֱלֹהִ֑ים וְ/עַמִּ֛/י הֵמִ֥יר כְּבוֹד֖/וֹ בְּ/ל֥וֹא יוֹעִֽיל׃
STATEN

Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet.

12
שֹׁ֥מּוּ שָׁמַ֖יִם עַל זֹ֑את וְ/שַׂעֲר֛וּ חָרְב֥וּ מְאֹ֖ד נְאֻם יְהוָֽה־־׃
STATEN

Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 2

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 2 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →