Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 11

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ/דָּבָר֙ אֲשֶׁ֣ר הָיָ֣ה אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ מֵ/אֵ֥ת יְהוָ֖ה לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschied is, van den HEERE, zeggende:

2
שִׁמְע֕וּ אֶת דִּבְרֵ֖י הַ/בְּרִ֣ית הַ/זֹּ֑את וְ/דִבַּרְתָּ/ם֙ אֶל אִ֣ישׁ יְהוּדָ֔ה וְ/עַל יֹשְׁבֵ֖י יְרוּשָׁלִָֽם־־־׃
STATEN

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

3
וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּֽה אָמַ֥ר יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל אָר֣וּר הָ/אִ֔ישׁ אֲשֶׁר֙ לֹ֣א יִשְׁמַ֔ע אֶת דִּבְרֵ֖י הַ/בְּרִ֥ית הַ/זֹּֽאת־־׃
STATEN

Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden dezes verbonds,

4
אֲשֶׁ֣ר צִוִּ֣יתִי אֶת אֲבֽוֹתֵי/כֶ֡ם בְּ/י֣וֹם הוֹצִיאִֽ/י אוֹתָ֣/ם מֵ/אֶֽרֶץ מִצְרַיִם֩ מִ/כּ֨וּר הַ/בַּרְזֶ֜ל לֵ/אמֹ֗ר שִׁמְע֤וּ בְ/קוֹלִ/י֙ וַ/עֲשִׂיתֶ֣ם אוֹתָ֔/ם כְּ/כֹ֥ל אֲשֶׁר אֲצַוֶּ֖ה אֶתְ/כֶ֑ם וִ/הְיִ֤יתֶם לִ/י֙ לְ/עָ֔ם וְ/אָ֣נֹכִ֔י אֶהְיֶ֥ה לָ/כֶ֖ם לֵ/אלֹהִֽים־־־־׃
STATEN

Dat Ik uw vaderen geboden heb, ten dage als Ik hen uit Egypteland, uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt Mijner stem gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebiede; zo zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn;

5
לְמַעַן֩ הָקִ֨ים אֶת הַ/שְּׁבוּעָ֜ה אֲשֶׁר נִשְׁבַּ֣עְתִּי לַ/אֲבֽוֹתֵי/כֶ֗ם לָ/תֵ֤ת לָ/הֶם֙ אֶ֣רֶץ זָבַ֥ת חָלָ֛ב וּ/דְבַ֖שׁ כַּ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וָ/אַ֥עַן וָ/אֹמַ֖ר אָמֵ֥ן יְהוָֽה־־׀׃ס
STATEN

Opdat Ik den eed bevestige, dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o HEERE!

6
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֵלַ֔/י קְרָ֨א אֶת כָּל הַ/דְּבָרִ֤ים הָ/אֵ֨לֶּה֙ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֥וֹת יְרוּשָׁלִַ֖ם לֵ/אמֹ֑ר שִׁמְע֗וּ אֶת דִּבְרֵי֙ הַ/בְּרִ֣ית הַ/זֹּ֔את וַ/עֲשִׂיתֶ֖ם אוֹתָֽ/ם־־־׃
STATEN

En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.

7
כִּי֩ הָעֵ֨ד הַעִדֹ֜תִי בַּ/אֲבֽוֹתֵי/כֶ֗ם בְּ/יוֹם֩ הַעֲלוֹתִ֨/י אוֹתָ֜/ם מֵ/אֶ֤רֶץ מִצְרַ֨יִם֙ וְ/עַד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה הַשְׁכֵּ֥ם וְ/הָעֵ֖ד לֵ/אמֹ֑ר שִׁמְע֖וּ בְּ/קוֹלִֽ/י־׃
STATEN

Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!

8
וְ/לֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ וְ/לֹֽא הִטּ֣וּ אֶת אָזְנָ֔/ם וַ/יֵּ֣לְכ֔וּ אִ֕ישׁ בִּ/שְׁרִיר֖וּת לִבָּ֣/ם הָ/רָ֑ע וָ/אָבִ֨יא עֲלֵי/הֶ֜ם אֶֽת כָּל דִּבְרֵ֧י הַ/בְּרִית הַ/זֹּ֛את אֲשֶׁר צִוִּ֥יתִי לַ/עֲשׂ֖וֹת וְ/לֹ֥א עָשֽׂוּ־־־־־־׃ס
STATEN

Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.

9
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֵלָ֑/י נִֽמְצָא קֶ֨שֶׁר֙ בְּ/אִ֣ישׁ יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/יֹשְׁבֵ֖י יְרוּשָׁלִָֽם־׃
STATEN

Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.

10
שָׁ֩בוּ֩ עַל עֲוֺנֹ֨ת אֲבוֹתָ֜/ם הָ/רִֽאשֹׁנִ֗ים אֲשֶׁ֤ר מֵֽאֲנוּ֙ לִ/שְׁמ֣וֹעַ אֶת דְּבָרַ֔/י וְ/הֵ֣מָּה הָלְכ֗וּ אַחֲרֵ֛י אֱלֹהִ֥ים אֲחֵרִ֖ים לְ/עָבְדָ֑/ם הֵפֵ֤רוּ בֵֽית יִשְׂרָאֵל֙ וּ/בֵ֣ית יְהוּדָ֔ה אֶת בְּרִיתִ֕/י אֲשֶׁ֥ר כָּרַ֖תִּי אֶת אֲבוֹתָֽ/ם־־־־־׃ס
STATEN

Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israëls en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb.

11
לָ/כֵ֗ן כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הִנְ/נִ֨י מֵבִ֤יא אֲלֵי/הֶם֙ רָעָ֔ה אֲשֶׁ֥ר לֹֽא יוּכְל֖וּ לָ/צֵ֣את מִמֶּ֑/נָּה וְ/זָעֲק֣וּ אֵלַ֔/י וְ/לֹ֥א אֶשְׁמַ֖ע אֲלֵי/הֶֽם־׃
STATEN

Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.

12
וְ/הָֽלְכ֞וּ עָרֵ֣י יְהוּדָ֗ה וְ/יֹשְׁבֵי֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/זָֽעֲקוּ֙ אֶל הָ֣/אֱלֹהִ֔ים אֲשֶׁ֛ר הֵ֥ם מְקַטְּרִ֖ים לָ/הֶ֑ם וְ/הוֹשֵׁ֛עַ לֹֽא יוֹשִׁ֥יעוּ לָ/הֶ֖ם בְּ/עֵ֥ת רָעָתָֽ/ם־־׃
STATEN

Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 11

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 11 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →