Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 14

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אֲשֶׁ֨ר הָיָ֤ה דְבַר יְהוָה֙ אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ עַל דִּבְרֵ֖י הַ/בַּצָּרֽוֹת־־־׃
STATEN

Het woord des HEEREN, dat tot Jeremía geschied is, over de zaken der grote droogte.

2
אָבְלָ֣ה יְהוּדָ֔ה וּ/שְׁעָרֶ֥י/הָ אֻמְלְל֖וּ קָדְר֣וּ לָ/אָ֑רֶץ וְ/צִוְחַ֥ת יְרוּשָׁלִַ֖ם עָלָֽתָה׃
STATEN

Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op.

3
וְ/אַדִּ֣רֵי/הֶ֔ם שָׁלְח֥וּ צעורי/הם לַ/מָּ֑יִם בָּ֣אוּ עַל גֵּבִ֞ים לֹא מָ֣צְאוּ מַ֗יִם שָׁ֤בוּ כְלֵי/הֶם֙ רֵיקָ֔ם בֹּ֥שׁוּ וְ/הָכְלְמ֖וּ וְ/חָפ֥וּ רֹאשָֽׁ/ם צְעִירֵי/הֶ֖ם־־׃
STATEN

En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.

4
בַּ/עֲב֤וּר הָ/אֲדָמָה֙ חַ֔תָּה כִּ֛י לֹא הָיָ֥ה גֶ֖שֶׁם בָּ/אָ֑רֶץ בֹּ֥שׁוּ אִכָּרִ֖ים חָפ֥וּ רֹאשָֽׁ/ם־׃
STATEN

Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.

5
כִּ֤י גַם אַיֶּ֨לֶת֙ בַּ/שָּׂדֶ֔ה יָלְדָ֖ה וְ/עָז֑וֹב כִּ֥י לֹֽא הָיָ֖ה דֶּֽשֶׁא־־׃
STATEN

Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.

6
וּ/פְרָאִים֙ עָמְד֣וּ עַל שְׁפָיִ֔ם שָׁאֲפ֥וּ ר֖וּחַ כַּ/תַּנִּ֑ים כָּל֥וּ עֵינֵי/הֶ֖ם כִּי אֵ֥ין עֵֽשֶׂב־־׃
STATEN

En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.

7
אִם עֲוֺנֵ֨י/נוּ֙ עָ֣נוּ בָ֔/נוּ יְהוָ֕ה עֲשֵׂ֖ה לְמַ֣עַן שְׁמֶ֑/ךָ כִּֽי רַבּ֥וּ מְשׁוּבֹתֵ֖י/נוּ לְ/ךָ֥ חָטָֽאנוּ־־׃
STATEN

Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.

8
מִקְוֵה֙ יִשְׂרָאֵ֔ל מֽוֹשִׁיע֖/וֹ בְּ/עֵ֣ת צָרָ֑ה לָ֤/מָּה תִֽהְיֶה֙ כְּ/גֵ֣ר בָּ/אָ֔רֶץ וּ/כְ/אֹרֵ֖חַ נָטָ֥ה לָ/לֽוּן׃
STATEN

O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?

9
לָ֤/מָּה תִֽהְיֶה֙ כְּ/אִ֣ישׁ נִדְהָ֔ם כְּ/גִבּ֖וֹר לֹא יוּכַ֣ל לְ/הוֹשִׁ֑יעַ וְ/אַתָּ֧ה בְ/קִרְבֵּ֣/נוּ יְהוָ֗ה וְ/שִׁמְ/ךָ֛ עָלֵ֥י/נוּ נִקְרָ֖א אַל תַּנִּחֵֽ/נוּ־־׃ס
STATEN

Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.

10
כֹּֽה אָמַ֨ר יְהוָ֜ה לָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֗ה כֵּ֤ן אָֽהֲבוּ֙ לָ/נ֔וּעַ רַגְלֵי/הֶ֖ם לֹ֣א חָשָׂ֑כוּ וַ/יהוָה֙ לֹ֣א רָצָ֔/ם עַתָּה֙ יִזְכֹּ֣ר עֲוֺנָ֔/ם וְ/יִפְקֹ֖ד חַטֹּאתָֽ/ם־׃ס
STATEN

Alzo zegt de HEERE van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken.

11
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֵלָ֑/י אַל תִּתְפַּלֵּ֛ל בְּעַד הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֖ה לְ/טוֹבָֽה־־׃
STATEN

Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.

12
כִּ֣י יָצֻ֗מוּ אֵינֶ֤/נִּי שֹׁמֵ֨עַ֙ אֶל רִנָּתָ֔/ם וְ/כִ֧י יַעֲל֛וּ עֹלָ֥ה וּ/מִנְחָ֖ה אֵינֶ֣/נִּי רֹצָ֑/ם כִּ֗י בַּ/חֶ֨רֶב֙ וּ/בָ/רָעָ֣ב וּ/בַ/דֶּ֔בֶר אָנֹכִ֖י מְכַלֶּ֥ה אוֹתָֽ/ם־׃ס
STATEN

Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 14

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 14 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →