Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 3

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לֵ/אמֹ֡ר הֵ֣ן יְשַׁלַּ֣ח אִ֣ישׁ אֶת אִשְׁתּ/וֹ֩ וְ/הָלְכָ֨ה מֵ/אִתּ֜/וֹ וְ/הָיְתָ֣ה לְ/אִישׁ אַחֵ֗ר הֲ/יָשׁ֤וּב אֵלֶ֨י/הָ֙ ע֔וֹד הֲ/ל֛וֹא חָנ֥וֹף תֶּחֱנַ֖ף הָ/אָ֣רֶץ הַ/הִ֑יא וְ/אַ֗תְּ זָנִית֙ רֵעִ֣ים רַבִּ֔ים וְ/שׁ֥וֹב אֵלַ֖/י נְאֻם יְהֹוָֽה־־־׃
STATEN

Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.

2
שְׂאִֽי עֵינַ֨יִ/ךְ עַל שְׁפָיִ֜ם וּ/רְאִ֗י אֵיפֹה֙ לֹ֣א שגלת עַל דְּרָכִים֙ יָשַׁ֣בְתְּ לָ/הֶ֔ם כַּ/עֲרָבִ֖י בַּ/מִּדְבָּ֑ר וַ/תַּחֲנִ֣יפִי אֶ֔רֶץ בִּ/זְנוּתַ֖יִ/ךְ וּ/בְ/רָעָתֵֽ/ךְ־־־׃ שֻׁכַּ֔בְתְּ
STATEN

Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.

3
וַ/יִּמָּנְע֣וּ רְבִבִ֔ים וּ/מַלְק֖וֹשׁ ל֣וֹא הָיָ֑ה וּ/מֵ֨צַח אִשָּׁ֤ה זוֹנָה֙ הָ֣יָה לָ֔/ךְ מֵאַ֖נְתְּ הִכָּלֵֽם׃
STATEN

Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.

4
הֲ/ל֣וֹא מֵ/עַ֔תָּה קראתי לִ֖/י אָבִ֑/י אַלּ֥וּף נְעֻרַ֖/י אָֽתָּה קָרָ֥את׃
STATEN

Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!

5
הֲ/יִנְטֹ֣ר לְ/עוֹלָ֔ם אִם יִשְׁמֹ֖ר לָ/נֶ֑צַח הִנֵּ֥ה דברתי וַ/תַּעֲשִׂ֥י הָ/רָע֖וֹת וַ/תּוּכָֽל־׃פ דִבַּ֛רְתְּ
STATEN

Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.

6
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֵלַ֗/י בִּ/ימֵי֙ יֹאשִׁיָּ֣הוּ הַ/מֶּ֔לֶךְ הֲֽ/רָאִ֔יתָ אֲשֶׁ֥ר עָשְׂתָ֖ה מְשֻׁבָ֣ה יִשְׂרָאֵ֑ל הֹלְכָ֨ה הִ֜יא עַל כָּל הַ֣ר גָּבֹ֗הַּ וְ/אֶל תַּ֛חַת כָּל עֵ֥ץ רַעֲנָ֖ן וַ/תִּזְנִי שָֽׁם־־־־־׃
STATEN

Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josía: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.

7
וָ/אֹמַ֗ר אַחֲרֵ֨י עֲשׂוֹתָ֧/הּ אֶת כָּל אֵ֛לֶּה אֵלַ֥/י תָּשׁ֖וּב וְ/לֹא שָׁ֑בָה ו/תראה בָּגוֹדָ֥ה אֲחוֹתָ֖/הּ יְהוּדָֽה־־־׃ וַ/תֵּ֛רֶא
STATEN

En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda.

8
וָ/אֵ֗רֶא כִּ֤י עַל כָּל אֹדוֹת֙ אֲשֶׁ֤ר נִֽאֲפָה֙ מְשֻׁבָ֣ה יִשְׂרָאֵ֔ל שִׁלַּחְתִּ֕י/הָ וָ/אֶתֵּ֛ן אֶת סֵ֥פֶר כְּרִיתֻתֶ֖י/הָ אֵלֶ֑י/הָ וְ/לֹ֨א יָֽרְאָ֜ה בֹּֽגֵדָ֤ה יְהוּדָה֙ אֲחוֹתָ֔/הּ וַ/תֵּ֖לֶךְ וַ/תִּ֥זֶן גַּם הִֽיא־־־־׃
STATEN

En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.

9
וְ/הָיָה֙ מִ/קֹּ֣ל זְנוּתָ֔/הּ וַ/תֶּחֱנַ֖ף אֶת הָ/אָ֑רֶץ וַ/תִּנְאַ֥ף אֶת הָ/אֶ֖בֶן וְ/אֶת הָ/עֵֽץ־־־׃
STATEN

Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.

10
וְ/גַם בְּ/כָל זֹ֗את לֹא שָׁ֨בָה אֵלַ֜/י בָּגוֹדָ֧ה אֲחוֹתָ֛/הּ יְהוּדָ֖ה בְּ/כָל לִבָּ֑/הּ כִּ֥י אִם בְּ/שֶׁ֖קֶר נְאֻם יְהוָֽה־־־־־־׃פ
STATEN

En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.

11
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֵלַ֔/י צִדְּקָ֥ה נַפְשָׁ֖/הּ מְשֻׁבָ֣ה יִשְׂרָאֵ֑ל מִ/בֹּגֵדָ֖ה יְהוּדָֽה׃
STATEN

Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.

12
הָלֹ֡ךְ וְ/קָֽרָאתָ֩ אֶת הַ/דְּבָרִ֨ים הָ/אֵ֜לֶּה צָפ֗וֹנָ/ה וְ֠/אָמַרְתָּ שׁ֣וּבָ/ה מְשֻׁבָ֤ה יִשְׂרָאֵל֙ נְאֻם יְהוָ֔ה לֽוֹא אַפִּ֥יל פָּנַ֖/י בָּ/כֶ֑ם כִּֽי חָסִ֤יד אֲנִי֙ נְאֻם יְהוָ֔ה לֹ֥א אֶטּ֖וֹר לְ/עוֹלָֽם־־־־־׃
STATEN

Ga henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 3

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 3 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →