NEVIIM

Jeremia 34

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
הַ/דָּבָ֛ר אֲשֶׁר הָיָ֥ה אֶֽל יִרְמְיָ֖הוּ מֵ/אֵ֣ת יְהוָ֑ה וּ/נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֣ל וְ/כָל חֵיל֡/וֹ וְ/כָל מַמְלְכ֣וֹת אֶרֶץ֩ מֶמְשֶׁ֨לֶת יָד֜/וֹ וְ/כָל הָ/עַמִּ֗ים נִלְחָמִ֧ים עַל יְרוּשָׁלִַ֛ם וְ/עַל כָּל עָרֶ֖י/הָ לֵ/אמֹֽר
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE (als Nebukadnézar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:

2
כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הָלֹךְ֙ וְ/אָ֣מַרְתָּ֔ אֶל צִדְקִיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה וְ/אָמַרְתָּ֣ אֵלָ֗י/ו כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הִנְ/נִ֨י נֹתֵ֜ן אֶת הָ/עִ֤יר הַ/זֹּאת֙ בְּ/יַ֣ד מֶֽלֶךְ בָּבֶ֔ל וּ/שְׂרָפָ֖/הּ בָּ/אֵֽשׁ
STATEN

Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ga henen en spreek tot Zedekía, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.

3
וְ/אַתָּ֗ה לֹ֚א תִמָּלֵט֙ מִ/יָּד֔/וֹ כִּ֚י תָּפֹ֣שׂ תִּתָּפֵ֔שׂ וּ/בְ/יָד֖/וֹ תִּנָּתֵ֑ן וְֽ֠/עֵינֶי/ךָ אֶת עֵינֵ֨י מֶֽלֶךְ בָּבֶ֜ל תִּרְאֶ֗ינָה וּ/פִ֛י/הוּ אֶת פִּ֥י/ךָ יְדַבֵּ֖ר וּ/בָבֶ֥ל תָּבֽוֹא
STATEN

En gij zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en gij zult te Babel komen.

4
אַ֚ךְ שְׁמַ֣ע דְּבַר יְהוָ֔ה צִדְקִיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה כֹּֽה אָמַ֤ר יְהוָה֙ עָלֶ֔י/ךָ לֹ֥א תָמ֖וּת בֶּ/חָֽרֶב
STATEN

Maar hoor des HEEREN woord, o Zedekía, koning van Juda! zo zegt de HEERE van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.

5
בְּ/שָׁל֣וֹם תָּמ֗וּת וּֽ/כְ/מִשְׂרְפ֣וֹת אֲ֠בוֹתֶי/ךָ הַ/מְּלָכִ֨ים הָ/רִֽאשֹׁנִ֜ים אֲשֶׁר הָי֣וּ לְ/פָנֶ֗י/ךָ כֵּ֚ן יִשְׂרְפוּ לָ֔/ךְ וְ/ה֥וֹי אָד֖וֹן יִסְפְּדוּ לָ֑/ךְ כִּֽי דָבָ֥ר אֲנִֽי דִבַּ֖רְתִּי נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die vóór u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.

6
וַ/יְדַבֵּר֙ יִרְמְיָ֣הוּ הַ/נָּבִ֔יא אֶל צִדְקִיָּ֖הוּ מֶ֣לֶךְ יְהוּדָ֑ה אֵ֛ת כָּל הַ/דְּבָרִ֥ים הָ/אֵ֖לֶּה בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En de profeet Jeremía sprak al deze woorden tot Zedekía, den koning van Juda, te Jeruzalem.

7
וְ/חֵ֣יל מֶֽלֶךְ בָּבֶ֗ל נִלְחָמִים֙ עַל יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/עַ֛ל כָּל עָרֵ֥י יְהוּדָ֖ה הַ/נּֽוֹתָר֑וֹת אֶל לָכִישׁ֙ וְ/אֶל עֲזֵקָ֔ה כִּ֣י הֵ֗נָּה נִשְׁאֲר֛וּ בְּ/עָרֵ֥י יְהוּדָ֖ה עָרֵ֥י מִבְצָֽר
STATEN

Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azéka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.

8
הַ/דָּבָ֛ר אֲשֶׁר הָיָ֥ה אֶֽל יִרְמְיָ֖הוּ מֵ/אֵ֣ת יְהוָ֑ה אַחֲרֵ֡י כְּרֹת֩ הַ/מֶּ֨לֶךְ צִדְקִיָּ֜הוּ בְּרִ֗ית אֶת כָּל הָ/עָם֙ אֲשֶׁ֣ר בִּ/ירֽוּשָׁלִַ֔ם לִ/קְרֹ֥א לָ/הֶ֖ם דְּרֽוֹר
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekía een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.

9
לְ֠/שַׁלַּח אִ֣ישׁ אֶת עַבְדּ֞/וֹ וְ/אִ֧ישׁ אֶת שִׁפְחָת֛/וֹ הָ/עִבְרִ֥י וְ/הָ/עִבְרִיָּ֖ה חָפְשִׁ֑ים לְ/בִלְתִּ֧י עֲבָד בָּ֛/ם בִּ/יהוּדִ֥י אָחִ֖י/הוּ אִֽישׁ
STATEN

Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreeër of een Hebreeïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.

10
וַ/יִּשְׁמְעוּ֩ כָל הַ/שָּׂרִ֨ים וְ/כָל הָ/עָ֜ם אֲשֶׁר בָּ֣אוּ בַ/בְּרִ֗ית לְ֠/שַׁלַּח אִ֣ישׁ אֶת עַבְדּ֞/וֹ וְ/אִ֤ישׁ אֶת שִׁפְחָת/וֹ֙ חָפְשִׁ֔ים לְ/בִלְתִּ֥י עֲבָד בָּ֖/ם ע֑וֹד וַֽ/יִּשְׁמְע֖וּ וַ/יְשַׁלֵּֽחוּ
STATEN

Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;

11
וַ/יָּשׁ֨וּבוּ֙ אַחֲרֵי כֵ֔ן וַ/יָּשִׁ֗בוּ אֶת הָֽ/עֲבָדִים֙ וְ/אֶת הַ/שְּׁפָח֔וֹת אֲשֶׁ֥ר שִׁלְּח֖וּ חָפְשִׁ֑ים ו/יכבישו/ם לַ/עֲבָדִ֖ים וְ/לִ/שְׁפָחֽוֹת וַֽ/יִּכְבְּשׁ֔וּ/ם
STATEN

Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.

12
וַ/יְהִ֤י דְבַר יְהוָה֙ אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ מֵ/אֵ֥ת יְהוָ֖ה לֵ/אמֹֽר
STATEN

Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, van den HEERE, zeggende:

13
כֹּֽה אָמַ֥ר יְהוָ֖ה אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל אָנֹכִ֗י כָּרַ֤תִּֽי בְרִית֙ אֶת אֲב֣וֹתֵי/כֶ֔ם בְּ/י֨וֹם הוֹצִאִ֤/י אוֹתָ/ם֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם מִ/בֵּ֥ית עֲבָדִ֖ים לֵ/אמֹֽר
STATEN

Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:

14
מִ/קֵּ֣ץ שֶׁ֣בַע שָׁנִ֡ים תְּֽשַׁלְּח֡וּ אִישׁ֩ אֶת אָחִ֨י/ו הָ/עִבְרִ֜י אֲשֶֽׁר יִמָּכֵ֣ר לְ/ךָ֗ וַ/עֲבָֽדְ/ךָ֙ שֵׁ֣שׁ שָׁנִ֔ים וְ/שִׁלַּחְתּ֥/וֹ חָפְשִׁ֖י מֵֽ/עִמָּ֑/ךְ וְ/לֹֽא שָׁמְע֤וּ אֲבֽוֹתֵי/כֶם֙ אֵלַ֔/י וְ/לֹ֥א הִטּ֖וּ אֶת אָזְנָֽ/ם
STATEN

Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreeër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.

15
וַ/תָּשֻׁ֨בוּ אַתֶּ֜ם הַ/יּ֗וֹם וַ/תַּעֲשׂ֤וּ אֶת הַ/יָּשָׁר֙ בְּ/עֵינַ֔/י לִ/קְרֹ֥א דְר֖וֹר אִ֣ישׁ לְ/רֵעֵ֑/הוּ וַ/תִּכְרְת֤וּ בְרִית֙ לְ/פָנַ֔/י בַּ/בַּ֕יִת אֲשֶׁר נִקְרָ֥א שְׁמִ֖/י עָלָֽי/ו
STATEN

Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.

16
וַ/תָּשֻׁ֨בוּ֙ וַ/תְּחַלְּל֣וּ אֶת שְׁמִ֔/י וַ/תָּשִׁ֗בוּ אִ֤ישׁ אֶת עַבְדּ/וֹ֙ וְ/אִ֣ישׁ אֶת שִׁפְחָת֔/וֹ אֲשֶׁר שִׁלַּחְתֶּ֥ם חָפְשִׁ֖ים לְ/נַפְשָׁ֑/ם וַ/תִּכְבְּשׁ֣וּ אֹתָ֔/ם לִֽ/הְי֣וֹת לָ/כֶ֔ם לַ/עֲבָדִ֖ים וְ/לִ/שְׁפָחֽוֹת
STATEN

Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.

17
לָ/כֵן֮ כֹּה אָמַ֣ר יְהוָה֒ אַתֶּם֙ לֹֽא שְׁמַעְתֶּ֣ם אֵלַ֔/י לִ/קְרֹ֣א דְר֔וֹר אִ֥ישׁ לְ/אָחִ֖י/ו וְ/אִ֣ישׁ לְ/רֵעֵ֑/הוּ הִנְ/נִ֣י קֹרֵא֩ לָ/כֶ֨ם דְּר֜וֹר נְאֻם יְהוָ֗ה אֶל הַ/חֶ֨רֶב֙ אֶל הַ/דֶּ֣בֶר וְ/אֶל הָ/רָעָ֔ב וְ/נָתַתִּ֤י אֶתְ/כֶם֙ ל/זועה לְ/כֹ֖ל מַמְלְכ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ לְ/זַעֲוָ֔ה
STATEN

Daarom zegt de HEERE alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de HEERE, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.

18
וְ/נָתַתִּ֣י אֶת הָ/אֲנָשִׁ֗ים הָ/עֹֽבְרִים֙ אֶת בְּרִתִ֔/י אֲשֶׁ֤ר לֹֽא הֵקִ֨ימוּ֙ אֶת דִּבְרֵ֣י הַ/בְּרִ֔ית אֲשֶׁ֥ר כָּרְת֖וּ לְ/פָנָ֑/י הָ/עֵ֨גֶל֙ אֲשֶׁ֣ר כָּרְת֣וּ לִ/שְׁנַ֔יִם וַ/יַּעַבְר֖וּ בֵּ֥ין בְּתָרָֽי/ו
STATEN

En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:

19
שָׂרֵ֨י יְהוּדָ֜ה וְ/שָׂרֵ֣י יְרוּשָׁלִַ֗ם הַ/סָּֽרִסִים֙ וְ/הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים וְ/כֹ֖ל עַ֣ם הָ/אָ֑רֶץ הָ/עֹ֣בְרִ֔ים בֵּ֖ין בִּתְרֵ֥י הָ/עֵֽגֶל
STATEN

De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.

20
וְ/נָתַתִּ֤י אוֹתָ/ם֙ בְּ/יַ֣ד אֹֽיְבֵי/הֶ֔ם וּ/בְ/יַ֖ד מְבַקְשֵׁ֣י נַפְשָׁ֑/ם וְ/הָיְתָ֤ה נִבְלָתָ/ם֙ לְ/מַֽאֲכָ֔ל לְ/ע֥וֹף הַ/שָּׁמַ֖יִם וּ/לְ/בֶהֱמַ֥ת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.

21
וְ/אֶת צִדְקִיָּ֨הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֜ה וְ/אֶת שָׂרָ֗י/ו אֶתֵּן֙ בְּ/יַ֣ד אֹֽיְבֵי/הֶ֔ם וּ/בְ/יַ֖ד מְבַקְשֵׁ֣י נַפְשָׁ֑/ם וּ/בְ/יַד חֵ֚יל מֶ֣לֶךְ בָּבֶ֔ל הָ/עֹלִ֖ים מֵ/עֲלֵי/כֶֽם
STATEN

Zelfs Zedekía, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.

22
הִנְ/נִ֨י מְצַוֶּ֜ה נְאֻם יְהוָ֗ה וַ/הֲשִׁ֨בֹתִ֜י/ם אֶל הָ/עִ֤יר הַ/זֹּאת֙ וְ/נִלְחֲמ֣וּ עָלֶ֔י/הָ וּ/לְכָד֖וּ/הָ וּ/שְׂרָפֻ֣/הָ בָ/אֵ֑שׁ וְ/אֶת עָרֵ֧י יְהוּדָ֛ה אֶתֵּ֥ן שְׁמָמָ֖ה מֵ/אֵ֥ין יֹשֵֽׁב
STATEN

Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de HEERE, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.