Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 39

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בַּ/שָּׁנָ֣ה הַ֠/תְּשִׁעִית לְ/צִדְקִיָּ֨הוּ מֶלֶךְ יְהוּדָ֜ה בַּ/חֹ֣דֶשׁ הָ/עֲשִׂרִ֗י בָּ֠א נְבוּכַדְרֶאצַּ֨ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֤ל וְ/כָל חֵיל/וֹ֙ אֶל יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וַ/יָּצֻ֖רוּ עָלֶֽי/הָ־־־־׃ס
STATEN

In het negende jaar van Zedekía, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrézar, de koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.

2
בְּ/עַשְׁתֵּֽי עֶשְׂרֵ֤ה שָׁנָה֙ לְ/צִדְקִיָּ֔הוּ בַּ/חֹ֥דֶשׁ הָ/רְבִיעִ֖י בְּ/תִשְׁעָ֣ה לַ/חֹ֑דֶשׁ הָבְקְעָ֖ה הָ/עִֽיר־׃
STATEN

In het elfde jaar van Zedekía, in de vierde maand, op den negenden der maand, werd de stad doorgebroken.

3
וַ/יָּבֹ֗אוּ כֹּ֚ל שָׂרֵ֣י מֶֽלֶךְ בָּבֶ֔ל וַ/יֵּשְׁב֖וּ בְּ/שַׁ֣עַר הַ/תָּ֑וֶךְ נֵרְגַ֣ל שַׂר אֶ֠צֶר סַֽמְגַּר נְב֞וּ שַׂר סְכִ֣ים רַב סָרִ֗יס נֵרְגַ֤ל שַׂר אֶ֨צֶר֙ רַב מָ֔ג וְ/כָל שְׁאֵרִ֔ית שָׂרֵ֖י מֶ֥לֶךְ בָּבֶֽל־־־־־־־־׃
STATEN

En alle vorsten des konings van Babel togen henen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sárezer Samgar-Nebu, Sársechim Rab-Sarîs, Nergal-Sárezer Rab-Mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.

4
וַ/יְהִ֡י כַּ/אֲשֶׁ֣ר רָ֠אָ/ם צִדְקִיָּ֨הוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָ֜ה וְ/כֹ֣ל אַנְשֵׁ֣י הַ/מִּלְחָמָ֗ה וַֽ֠/יִּבְרְחוּ וַ/יֵּצְא֨וּ לַ֤יְלָה מִן הָ/עִיר֙ דֶּ֚רֶךְ גַּ֣ן הַ/מֶּ֔לֶךְ בְּ/שַׁ֖עַר בֵּ֣ין הַ/חֹמֹתָ֑יִם וַ/יֵּצֵ֖א דֶּ֥רֶךְ הָ/עֲרָבָֽה־׀־׃
STATEN

En het geschiedde, als Zedekía, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.

5
וַ/יִּרְדְּפ֨וּ חֵיל כַּשְׂדִּ֜ים אַחֲרֵי/הֶ֗ם וַ/יַּשִּׂ֣גוּ אֶת צִדְקִיָּהוּ֮ בְּ/עַֽרְב֣וֹת יְרֵחוֹ֒ וַ/יִּקְח֣וּ אֹת֗/וֹ וַֽ֠/יַּעֲלֻ/הוּ אֶל נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֛ל רִבְלָ֖תָ/ה בְּ/אֶ֣רֶץ חֲמָ֑ת וַ/יְדַבֵּ֥ר אִתּ֖/וֹ מִשְׁפָּטִֽים־־־־׃
STATEN

Doch het heir der Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekía in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.

6
וַ/יִּשְׁחַט֩ מֶ֨לֶךְ בָּבֶ֜ל אֶת בְּנֵ֧י צִדְקִיָּ֛הוּ בְּ/רִבְלָ֖ה לְ/עֵינָ֑י/ו וְ/אֵת֙ כָּל חֹרֵ֣י יְהוּדָ֔ה שָׁחַ֖ט מֶ֥לֶךְ בָּבֶֽל־־׃
STATEN

En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekía te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.

7
וְ/אֶת עֵינֵ֥י צִדְקִיָּ֖הוּ עִוֵּ֑ר וַ/יַּאַסְרֵ֨/הוּ֙ בַּֽ/נְחֻשְׁתַּ֔יִם לָ/בִ֥יא אֹת֖/וֹ בָּבֶֽלָ/ה־׃
STATEN

En hij verblindde de ogen van Zedekía, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.

8
וְ/אֶת בֵּ֤ית הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ וְ/אֶת בֵּ֣ית הָ/עָ֔ם שָׂרְפ֥וּ הַ/כַּשְׂדִּ֖ים בָּ/אֵ֑שׁ וְ/אֶת חֹמ֥וֹת יְרוּשָׁלִַ֖ם נָתָֽצוּ־־־׃
STATEN

En de Chaldeeën verbrandden het huis des konings en de huizen des volks met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af.

9
וְ/אֵת֩ יֶ֨תֶר הָ/עָ֜ם הַ/נִּשְׁאָרִ֣ים בָּ/עִ֗יר וְ/אֶת הַ/נֹּֽפְלִים֙ אֲשֶׁ֣ר נָפְל֣וּ עָלָ֔י/ו וְ/אֵ֛ת יֶ֥תֶר הָ/עָ֖ם הַ/נִּשְׁאָרִ֑ים הֶגְלָ֛ה נְבֽוּזַר אֲדָ֥ן רַב טַבָּחִ֖ים בָּבֶֽל־־־׃
STATEN

Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.

10
וּ/מִן הָ/עָ֣ם הַ/דַּלִּ֗ים אֲשֶׁ֤ר אֵין לָ/הֶם֙ מְא֔וּמָה הִשְׁאִ֛יר נְבוּזַרְאֲדָ֥ן רַב טַבָּחִ֖ים בְּ/אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֑ה וַ/יִּתֵּ֥ן לָ/הֶ֛ם כְּרָמִ֥ים וִֽ/יגֵבִ֖ים בַּ/יּ֥וֹם הַ/הֽוּא־־־׃
STATEN

Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzáradan, de overste der trawanten, enigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.

11
וַ/יְצַ֛ו נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֖ל עַֽל יִרְמְיָ֑הוּ בְּ/יַ֛ד נְבוּזַרְאֲדָ֥ן רַב טַבָּחִ֖ים לֵ/אמֹֽר־־־׃
STATEN

Maar van Jeremía had Nebukadrézar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzáradan, den overste der trawanten, zeggende:

12
קָחֶ֗/נּוּ וְ/עֵינֶ֨י/ךָ֙ שִׂ֣ים עָלָ֔י/ו וְ/אַל תַּ֥עַשׂ ל֖/וֹ מְא֣וּמָה רָּ֑ע כִּ֗י אם כַּֽ/אֲשֶׁר֙ יְדַבֵּ֣ר אֵלֶ֔י/ךָ כֵּ֖ן עֲשֵׂ֥ה עִמּֽ/וֹ־׃
STATEN

Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 39

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 39 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →