In het negende jaar van Zedekía, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrézar, de koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.
En alle vorsten des konings van Babel togen henen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sárezer Samgar-Nebu, Sársechim Rab-Sarîs, Nergal-Sárezer Rab-Mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.
En het geschiedde, als Zedekía, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.
Doch het heir der Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekía in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.
Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.
Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzáradan, de overste der trawanten, enigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.