Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 44

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ/דָּבָר֙ אֲשֶׁ֣ר הָיָ֣ה אֶֽל יִרְמְיָ֔הוּ אֶ֚ל כָּל הַ/יְּהוּדִ֔ים הַ/יֹּשְׁבִ֖ים בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הַ/יֹּשְׁבִ֤ים בְּ/מִגְדֹּל֙ וּ/בְ/תַחְפַּנְחֵ֣ס וּ/בְ/נֹ֔ף וּ/בְ/אֶ֥רֶץ פַּתְר֖וֹס לֵ/אמֹֽר־־׃ס
STATEN

Het woord, dat tot Jeremía geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:

2
כֹּה אָמַ֞ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אַתֶּ֣ם רְאִיתֶ֗ם אֵ֤ת כָּל הָֽ/רָעָה֙ אֲשֶׁ֤ר הֵבֵ֨אתִי֙ עַל יְר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/עַ֖ל כָּל עָרֵ֣י יְהוּדָ֑ה וְ/הִנָּ֤/ם חָרְבָּה֙ הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֔ה וְ/אֵ֥ין בָּ/הֶ֖ם יוֹשֵֽׁב־־־־׃
STATEN

Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid te deze dage, en niemand woont daarin;

3
מִ/פְּנֵ֣י רָעָתָ֗/ם אֲשֶׁ֤ר עָשׂוּ֙ לְ/הַכְעִסֵ֔/נִי לָ/לֶ֣כֶת לְ/קַטֵּ֔ר לַ/עֲבֹ֖ד לֵ/אלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֑ים אֲשֶׁר֙ לֹ֣א יְדָע֔וּ/ם הֵ֖מָּה אַתֶּ֥ם וַ/אֲבֹתֵי/כֶֽם׃
STATEN

Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, gij, noch uw vaders.

4
וָ/אֶשְׁלַ֤ח אֲלֵי/כֶם֙ אֶת כָּל עֲבָדַ֣/י הַ/נְּבִיאִ֔ים הַשְׁכֵּ֥ים וְ/שָׁלֹ֖חַ לֵ/אמֹ֑ר אַל נָ֣א תַעֲשׂ֗וּ אֵ֛ת דְּבַֽר הַ/תֹּעֵבָ֥ה הַ/זֹּ֖את אֲשֶׁ֥ר שָׂנֵֽאתִי־־־־׃
STATEN

En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.

5
וְ/לֹ֤א שָֽׁמְעוּ֙ וְ/לֹא הִטּ֣וּ אֶת אָזְנָ֔/ם לָ/שׁ֖וּב מֵ/רָֽעָתָ֑/ם לְ/בִלְתִּ֥י קַטֵּ֖ר לֵ/אלֹהִ֥ים אֲחֵרִֽים־־׃
STATEN

Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.

6
וַ/תִּתַּ֤ךְ חֲמָתִ/י֙ וְ/אַפִּ֔/י וַ/תִּבְעַר֙ בְּ/עָרֵ֣י יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֖וֹת יְרֽוּשָׁלִָ֑ם וַ/תִּהְיֶ֛ינָה לְ/חָרְבָּ֥ה לִ/שְׁמָמָ֖ה כַּ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה׃ס
STATEN

Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.

7
וְ/עַתָּ֡ה כֹּֽה אָמַ֣ר יְהוָה֩ אֱלֹהֵ֨י צְבָא֜וֹת אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל לָ/מָה֩ אַתֶּ֨ם עֹשִׂ֜ים רָעָ֤ה גְדוֹלָה֙ אֶל נַפְשֹׁ֣תֵ/כֶ֔ם לְ/הַכְרִ֨ית לָ/כֶ֧ם אִישׁ וְ/אִשָּׁ֛ה עוֹלֵ֥ל וְ/יוֹנֵ֖ק מִ/תּ֣וֹךְ יְהוּדָ֑ה לְ/בִלְתִּ֛י הוֹתִ֥יר לָ/כֶ֖ם שְׁאֵרִֽית־־־׃
STATEN

En nu, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat?

8
לְ/הַכְעִסֵ֨/נִי֙ בְּ/מַעֲשֵׂ֣י יְדֵי/כֶ֔ם לְ/קַטֵּ֞ר לֵ/אלֹהִ֤ים אֲחֵרִים֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם אֲשֶׁר אַתֶּ֥ם בָּאִ֖ים לָ/ג֣וּר שָׁ֑ם לְמַ֨עַן֙ הַכְרִ֣ית לָ/כֶ֔ם וּ/לְמַ֤עַן הֱיֽוֹתְ/כֶם֙ לִ/קְלָלָ֣ה וּ/לְ/חֶרְפָּ֔ה בְּ/כֹ֖ל גּוֹיֵ֥י הָ/אָֽרֶץ־׃
STATEN

Tergende Mij door de werken uwer handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat gij uzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken der aarde?

9
הַֽ/שְׁכַחְתֶּם֩ אֶת רָע֨וֹת אֲבוֹתֵי/כֶ֜ם וְ/אֶת רָע֣וֹת מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֗ה וְ/אֵת֙ רָע֣וֹת נָשָׁ֔י/ו וְ/אֵת֙ רָעֹ֣תֵ/כֶ֔ם וְ/אֵ֖ת רָעֹ֣ת נְשֵׁי/כֶ֑ם אֲשֶׁ֤ר עָשׂוּ֙ בְּ/אֶ֣רֶץ יְהוּדָ֔ה וּ/בְ/חֻצ֖וֹת יְרוּשָׁלִָֽם־־׀׃
STATEN

Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?

10
לֹ֣א דֻכְּא֔וּ עַ֖ד הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה וְ/לֹ֣א יָרְא֗וּ וְ/לֹֽא הָלְכ֤וּ בְ/תֽוֹרָתִ/י֙ וּ/בְ/חֻקֹּתַ֔/י אֲשֶׁר נָתַ֥תִּי לִ/פְנֵי/כֶ֖ם וְ/לִ/פְנֵ֥י אֲבוֹתֵי/כֶֽם־־׃ס
STATEN

Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb.

11
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַ֞ר יְהוָ֤ה צְבָאוֹת֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל הִנְ/נִ֨י שָׂ֥ם פָּנַ֛/י בָּ/כֶ֖ם לְ/רָעָ֑ה וּ/לְ/הַכְרִ֖ית אֶת כָּל יְהוּדָֽה־־־׃
STATEN

Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.

12
וְ/לָקַחְתִּ֞י אֶת שְׁאֵרִ֣ית יְהוּדָ֗ה אֲשֶׁר שָׂ֨מוּ פְנֵי/הֶ֜ם לָ/ב֣וֹא אֶֽרֶץ מִצְרַיִם֮ לָ/ג֣וּר שָׁם֒ וְ/תַ֨מּוּ כֹ֜ל בְּ/אֶ֧רֶץ מִצְרַ֣יִם יִפֹּ֗לוּ בַּ/חֶ֤רֶב בָּֽ/רָעָב֙ יִתַּ֔מּוּ מִ/קָּטֹן֙ וְ/עַד גָּד֔וֹל בַּ/חֶ֥רֶב וּ/בָ/רָעָ֖ב יָמֻ֑תוּ וְ/הָיוּ֙ לְ/אָלָ֣ה לְ/שַׁמָּ֔ה וְ/לִ/קְלָלָ֖ה וּ/לְ/חֶרְפָּֽה־־־־׃
STATEN

En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 44

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 44 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →