NEVIIM

Jeremia 48

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
1
לְ/מוֹאָ֡ב כֹּֽה אָמַר֩ יְהוָ֨ה צְבָא֜וֹת אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל ה֤וֹי אֶל נְבוֹ֙ כִּ֣י שֻׁדָּ֔דָה הֹבִ֥ישָׁה נִלְכְּדָ֖ה קִרְיָתָ֑יִם הֹבִ֥ישָׁה הַ/מִּשְׂגָּ֖ב וָ/חָֽתָּה
STATEN

Tegen Moab zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, alzo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjatháïm is beschaamd, zij is ingenomen; de stad des hogen vertreks is beschaamd en verschrikt.

2
אֵ֣ין עוֹד֮ תְּהִלַּ֣ת מוֹאָב֒ בְּ/חֶשְׁבּ֗וֹן חָשְׁב֤וּ עָלֶ֨י/הָ֙ רָעָ֔ה לְכ֖וּ וְ/נַכְרִיתֶ֣/נָּה מִ/גּ֑וֹי גַּם מַדְמֵ֣ן תִּדֹּ֔מִּי אַחֲרַ֖יִ/ךְ תֵּ֥לֶךְ חָֽרֶב
STATEN

Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan.

3
ק֥וֹל צְעָקָ֖ה מֵ/חֹֽרוֹנָ֑יִם שֹׁ֖ד וָ/שֶׁ֥בֶר גָּדֽוֹל
STATEN

Er is een stem des gekrijts van Horonáïm; verstoring en een grote breuk!

4
נִשְׁבְּרָ֖ה מוֹאָ֑ב הִשְׁמִ֥יעוּ זְּעָקָ֖ה צעורי/ה צְעִירֶֽי/הָ
STATEN

Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.

5
כִּ֚י מַעֲלֵ֣ה ה/לחות בִּ/בְכִ֖י יַֽעֲלֶה בֶּ֑כִי כִּ֚י בְּ/מוֹרַ֣ד חוֹרֹנַ֔יִם צָרֵ֥י צַֽעֲקַת שֶׁ֖בֶר שָׁמֵֽעוּ הַ/לּוּחִ֔ית
STATEN

Want in den opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonáïm hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord.

6
נֻ֖סוּ מַלְּט֣וּ נַפְשְׁ/כֶ֑ם וְ/תִֽהְיֶ֕ינָה כַּ/עֲרוֹעֵ֖ר בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

Vlucht, redt ulieder ziel! en wordt als de heide in de woestijn;

7
כִּ֠י יַ֣עַן בִּטְחֵ֤/ךְ בְּ/מַעֲשַׂ֨יִ/ךְ֙ וּ/בְ/א֣וֹצְרוֹתַ֔יִ/ךְ גַּם אַ֖תְּ תִּלָּכֵ֑דִי וְ/יָצָ֤א כמיש בַּ/גּוֹלָ֔ה כֹּהֲנָ֥י/ו וְ/שָׂרָ֖י/ו יחד כְמוֹשׁ֙ יַחְדָּֽיו
STATEN

Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.

8
וְ/יָבֹ֨א שֹׁדֵ֜ד אֶל כָּל עִ֗יר וְ/עִיר֙ לֹ֣א תִמָּלֵ֔ט וְ/אָבַ֥ד הָ/עֵ֖מֶק וְ/נִשְׁמַ֣ד הַ/מִּישֹׁ֑ר אֲשֶׁ֖ר אָמַ֥ר יְהוָֽה
STATEN

Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet één stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het effen veld verdelgd worden; want de HEERE heeft het gezegd.

9
תְּנוּ צִ֣יץ לְ/מוֹאָ֔ב כִּ֥י נָצֹ֖א תֵּצֵ֑א וְ/עָרֶ֨י/הָ֙ לְ/שַׁמָּ֣ה תִֽהְיֶ֔ינָה מֵ/אֵ֥ין יוֹשֵׁ֖ב בָּ/הֵֽן
STATEN

Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone.

10
אָר֗וּר עֹשֶׂ֛ה מְלֶ֥אכֶת יְהוָ֖ה רְמִיָּ֑ה וְ/אָר֕וּר מֹנֵ֥עַ חַרְבּ֖/וֹ מִ/דָּֽם
STATEN

Vervloekt zij, die des HEEREN werk bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt!

11
שַׁאֲנַ֨ן מוֹאָ֜ב מִ/נְּעוּרָ֗י/ו וְ/שֹׁקֵ֥ט הוּא֙ אֶל שְׁמָרָ֔י/ו וְ/לֹֽא הוּרַ֤ק מִ/כְּלִי֙ אֶל כֶּ֔לִי וּ/בַ/גּוֹלָ֖ה לֹ֣א הָלָ֑ךְ עַל כֵּ֗ן עָמַ֤ד טַעְמ/וֹ֙ בּ֔/וֹ וְ/רֵיח֖/וֹ לֹ֥א נָמָֽר
STATEN

Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.

12
לָ/כֵ֞ן הִנֵּ֖ה יָמִ֤ים בָּאִים֙ נְאֻם יְהוָ֔ה וְ/שִׁלַּחְתִּי ל֥/וֹ צֹעִ֖ים וְ/צֵעֻ֑/הוּ וְ/כֵלָ֣י/ו יָרִ֔יקוּ וְ/נִבְלֵי/הֶ֖ם יְנַפֵּֽצוּ
STATEN

Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.

13
וּ/בֹ֥שׁ מוֹאָ֖ב מִ/כְּמ֑וֹשׁ כַּ/אֲשֶׁר בֹּ֨שׁוּ֙ בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֔ל מִ/בֵּ֥ית אֵ֖ל מִבְטֶחָֽ/ם
STATEN

En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen.

14
אֵ֚יךְ תֹּֽאמְר֔וּ גִּבּוֹרִ֖ים אֲנָ֑חְנוּ וְ/אַנְשֵׁי חַ֖יִל לַ/מִּלְחָמָֽה
STATEN

Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde?

15
שֻׁדַּ֤ד מוֹאָב֙ וְ/עָרֶ֣י/הָ עָלָ֔ה וּ/מִבְחַ֥ר בַּֽחוּרָ֖י/ו יָרְד֣וּ לַ/טָּ֑בַח נְאֻ֨ם הַ/מֶּ֔לֶךְ יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת שְׁמֽ/וֹ
STATEN

Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.

16
קָר֥וֹב אֵיד מוֹאָ֖ב לָ/ב֑וֹא וְ/רָ֣עָת֔/וֹ מִהֲרָ֖ה מְאֹֽד
STATEN

Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer.

17
נֻ֤דוּ ל/וֹ֙ כָּל סְבִיבָ֔י/ו וְ/כֹ֖ל יֹדְעֵ֣י שְׁמ֑/וֹ אִמְר֗וּ אֵיכָ֤ה נִשְׁבַּר֙ מַטֵּה עֹ֔ז מַקֵּ֖ל תִּפְאָרָֽה
STATEN

Beklaagt hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijn naam kent; zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?

18
רְדִ֤י מִ/כָּבוֹד֙ ישבי בַ/צָּמָ֔א יֹשֶׁ֖בֶת בַּת דִּיב֑וֹן כִּֽי שֹׁדֵ֤ד מוֹאָב֙ עָ֣לָה בָ֔/ךְ שִׁחֵ֖ת מִבְצָרָֽיִ/ךְ וּ/שְׁבִ֣י
STATEN

Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.

19
אֶל דֶּ֛רֶךְ עִמְדִ֥י וְ/צַפִּ֖י יוֹשֶׁ֣בֶת עֲרוֹעֵ֑ר שַׁאֲלִי נָ֣ס וְ/נִמְלָ֔טָה אִמְרִ֖י מַה נִּֽהְיָֽתָה
STATEN

Sta aan den weg, en zie toe, gij inwoneres van Aróër! Vraag den vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?

20
הֹבִ֥ישׁ מוֹאָ֛ב כִּֽי חַ֖תָּה הילילי ו/זעקי הַגִּ֣ידוּ בְ/אַרְנ֔וֹן כִּ֥י שֻׁדַּ֖ד מוֹאָֽב הֵילִ֣ילוּ וּֽ/זְעָ֑קוּ
STATEN

Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.

21
וּ/מִשְׁפָּ֥ט בָּ֖א אֶל אֶ֣רֶץ הַ/מִּישֹׁ֑ר אֶל חֹל֥וֹן וְ/אֶל יַ֖הְצָ/ה וְ/עַל מופעת מֵיפָֽעַת
STATEN

En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Méfaäth.

22
וְ/עַל דִּיב֣וֹן וְ/עַל נְב֔וֹ וְ/עַל בֵּ֖ית דִּבְלָתָֽיִם
STATEN

En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblatháïm,

23
וְ/עַ֧ל קִרְיָתַ֛יִם וְ/עַל בֵּ֥ית גָּמ֖וּל וְ/עַל בֵּ֥ית מְעֽוֹן
STATEN

En over Kirjatháïm, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,

24
וְ/עַל קְרִיּ֖וֹת וְ/עַל בָּצְרָ֑ה וְ/עַ֗ל כָּל עָרֵי֙ אֶ֣רֶץ מוֹאָ֔ב הָ/רְחֹק֖וֹת וְ/הַ/קְּרֹבֽוֹת
STATEN

En over Keriôth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.

25
נִגְדְּעָה֙ קֶ֣רֶן מוֹאָ֔ב וּ/זְרֹע֖/וֹ נִשְׁבָּ֑רָה נְאֻ֖ם יְהוָֽה
STATEN

Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt de HEERE.

26
הַשְׁכִּירֻ֕/הוּ כִּ֥י עַל יְהוָ֖ה הִגְדִּ֑יל וְ/סָפַ֤ק מוֹאָב֙ בְּ/קִיא֔/וֹ וְ/הָיָ֥ה לִ/שְׂחֹ֖ק גַּם הֽוּא
STATEN

Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.

27
וְ/אִ֣ם ל֣וֹא הַ/שְּׂחֹ֗ק הָיָ֤ה לְ/ךָ֙ יִשְׂרָאֵ֔ל אִם בְּ/גַנָּבִ֖ים נמצאה כִּֽי מִ/דֵּ֧י דְבָרֶ֥י/ךָ בּ֖/וֹ תִּתְנוֹדָֽד נִמְצָ֑א
STATEN

Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?

28
עִזְב֤וּ עָרִים֙ וְ/שִׁכְנ֣וּ בַּ/סֶּ֔לַע יֹשְׁבֵ֖י מוֹאָ֑ב וִֽ/הְי֣וּ כְ/יוֹנָ֔ה תְּקַנֵּ֖ן בְּ/עֶבְרֵ֥י פִי פָֽחַת
STATEN

Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.

29
שָׁמַ֥עְנוּ גְאוֹן מוֹאָ֖ב גֵּאֶ֣ה מְאֹ֑ד גָּבְה֧/וֹ וּ/גְאוֹנ֛/וֹ וְ/גַאֲוָת֖/וֹ וְ/רֻ֥ם לִבּֽ/וֹ
STATEN

Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogheid.

30
אֲנִ֤י יָדַ֨עְתִּי֙ נְאֻם יְהוָ֔ה עֶבְרָת֖/וֹ וְ/לֹא כֵ֑ן בַּדָּ֖י/ו לֹא כֵ֥ן עָשֽׂוּ
STATEN

Ik ken zijn verbolgenheid, spreekt de HEERE, maar niet alzo; zijn grendelen doen het zo niet.

31
עַל כֵּן֙ עַל מוֹאָ֣ב אֲיֵלִ֔יל וּ/לְ/מוֹאָ֥ב כֻּלֹּ֖/ה אֶזְעָ֑ק אֶל אַנְשֵׁ֥י קִֽיר חֶ֖רֶשׂ יֶהְגֶּֽה
STATEN

Daarom zal ik over Moab huilen, ja, om gans Moab zal ik krijten; over de lieden van Kir-heres zal men zuchten.

32
מִ/בְּכִ֨י יַעְזֵ֤ר אֶבְכֶּה לָּ/ךְ֙ הַ/גֶּ֣פֶן שִׂבְמָ֔ה נְטִֽישֹׁתַ֨יִ/ךְ֙ עָ֣בְרוּ יָ֔ם עַ֛ד יָ֥ם יַעְזֵ֖ר נָגָ֑עוּ עַל קֵיצֵ֥/ךְ וְ/עַל בְּצִירֵ֖/ךְ שֹׁדֵ֥ד נָפָֽל
STATEN

Boven het geween van Jáëzer zal ik u bewenen, gij wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jáëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;

33
וְ/נֶאֶסְפָ֨ה שִׂמְחָ֥ה וָ/גִ֛יל מִ/כַּרְמֶ֖ל וּ/מֵ/אֶ֣רֶץ מוֹאָ֑ב וְ/יַ֨יִן֙ מִ/יקָבִ֣ים הִשְׁבַּ֔תִּי לֹֽא יִדְרֹ֣ךְ הֵידָ֔ד הֵידָ֖ד לֹ֥א הֵידָֽד
STATEN

Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn.

34
מִ/זַּעֲקַ֨ת חֶשְׁבּ֜וֹן עַד אֶלְעָלֵ֗ה עַד יַ֨הַץ֙ נָתְנ֣וּ קוֹלָ֔/ם מִ/צֹּ֨עַר֙ עַד חֹ֣רֹנַ֔יִם עֶגְלַ֖ת שְׁלִֽשִׁיָּ֑ה כִּ֚י גַּם מֵ֣י נִמְרִ֔ים לִ/מְשַׁמּ֖וֹת יִהְיֽוּ
STATEN

Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleále toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonáïm, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.

35
וְ/הִשְׁבַּתִּ֥י לְ/מוֹאָ֖ב נְאֻם יְהוָ֑ה מַעֲלֶ֣ה בָמָ֔ה וּ/מַקְטִ֖יר לֵ/אלֹהָֽי/ו
STATEN

En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de HEERE, dien die op de hoogte offert, en die zijn goden rookt.

36
עַל כֵּ֞ן לִבִּ֤/י לְ/מוֹאָב֙ כַּ/חֲלִלִ֣ים יֶהֱמֶ֔ה וְ/לִבִּ/י֙ אֶל אַנְשֵׁ֣י קִֽיר חֶ֔רֶשׂ כַּ/חֲלִילִ֖ים יֶהֱמֶ֑ה עַל כֵּ֛ן יִתְרַ֥ת עָשָׂ֖ה אָבָֽדוּ
STATEN

Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal mijn hart over de lieden van Kir-heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is.

37
כִּ֤י כָל רֹאשׁ֙ קָרְחָ֔ה וְ/כָל זָקָ֖ן גְּרֻעָ֑ה עַ֤ל כָּל יָדַ֨יִם֙ גְּדֻדֹ֔ת וְ/עַל מָתְנַ֖יִם שָֽׂק
STATEN

Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.

38
עַ֣ל כָּל גַּגּ֥וֹת מוֹאָ֛ב וּ/בִ/רְחֹבֹתֶ֖י/הָ כֻּלֹּ֣/ה מִסְפֵּ֑ד כִּֽי שָׁבַ֣רְתִּי אֶת מוֹאָ֗ב כִּ/כְלִ֛י אֵֽין חֵ֥פֶץ בּ֖/וֹ נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal misbaar; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt de HEERE.

39
אֵ֥יךְ חַ֨תָּה֙ הֵילִ֔ילוּ אֵ֛יךְ הִפְנָה עֹ֥רֶף מוֹאָ֖ב בּ֑וֹשׁ וְ/הָיָ֥ה מוֹאָ֛ב לִ/שְׂחֹ֥ק וְ/לִ/מְחִתָּ֖ה לְ/כָל סְבִיבָֽי/ו
STATEN

Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belaching en tot een ontzetting worden.

40
כִּי כֹה֙ אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הִנֵּ֥ה כַ/נֶּ֖שֶׁר יִדְאֶ֑ה וּ/פָרַ֥שׂ כְּנָפָ֖י/ו אֶל מוֹאָֽב
STATEN

Want zo zegt de HEERE: Ziet, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.

41
נִלְכְּדָה֙ הַ/קְּרִיּ֔וֹת וְ/הַ/מְּצָד֖וֹת נִתְפָּ֑שָׂה וְֽ֠/הָיָה לֵ֞ב גִּבּוֹרֵ֤י מוֹאָב֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא כְּ/לֵ֖ב אִשָּׁ֥ה מְצֵרָֽה
STATEN

Elk een der steden is gewonnen, en elk een der vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.

42
וְ/נִשְׁמַ֥ד מוֹאָ֖ב מֵ/עָ֑ם כִּ֥י עַל יְהוָ֖ה הִגְדִּֽיל
STATEN

Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE.

43
פַּ֥חַד וָ/פַ֖חַת וָ/פָ֑ח עָלֶ֛י/ךָ יוֹשֵׁ֥ב מוֹאָ֖ב נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

De vreze, en de kuil, en de strik, over u, gij inwoner van Moab! spreekt de HEERE.

44
ה/ניס מִ/פְּנֵ֤י הַ/פַּ֨חַד֙ יִפֹּ֣ל אֶל הַ/פַּ֔חַת וְ/הָֽ/עֹלֶה֙ מִן הַ/פַּ֔חַת יִלָּכֵ֖ד בַּ/פָּ֑ח כִּֽי אָבִ֨יא אֵלֶ֧י/הָ אֶל מוֹאָ֛ב שְׁנַ֥ת פְּקֻדָּתָ֖/ם נְאֻם יְהוָֽה הַ/נָּ֞ס
STATEN

Die van de vreze ontvliedt, zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de HEERE.

45
בְּ/צֵ֥ל חֶשְׁבּ֛וֹן עָמְד֖וּ מִ/כֹּ֣חַ נָסִ֑ים כִּֽי אֵ֞שׁ יָצָ֣א מֵ/חֶשְׁבּ֗וֹן וְ/לֶֽהָבָה֙ מִ/בֵּ֣ין סִיח֔וֹן וַ/תֹּ֨אכַל֙ פְּאַ֣ת מוֹאָ֔ב וְ/קָדְקֹ֖ד בְּנֵ֥י שָׁאֽוֹן
STATEN

Die voor des vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en den schedel der kinderen van het gedruis verteerd.

46
אוֹי לְ/ךָ֣ מוֹאָ֔ב אָבַ֖ד עַם כְּמ֑וֹשׁ כִּֽי לֻקְּח֤וּ בָנֶ֨י/ךָ֙ בַּ/שֶּׁ֔בִי וּ/בְנֹתֶ֖י/ךָ בַּ/שִּׁבְיָֽה
STATEN

Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.

47
וְ/שַׁבְתִּ֧י שְׁבוּת מוֹאָ֛ב בְּ/אַחֲרִ֥ית הַ/יָּמִ֖ים נְאֻם יְהוָ֑ה עַד הֵ֖נָּה מִשְׁפַּ֥ט מוֹאָֽב
STATEN

Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel.