Ga naar inhoud
NEVIIM

Jeremia 50

יִרְמְיָה
Hoofdstukken (52)← → toetsen
12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ/דָּבָ֗ר אֲשֶׁ֨ר דִּבֶּ֧ר יְהוָ֛ה אֶל בָּבֶ֖ל אֶל אֶ֣רֶץ כַּשְׂדִּ֑ים בְּ/יַ֖ד יִרְמְיָ֥הוּ הַ/נָּבִֽיא־־׃
STATEN

Het woord, dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeeën, door den dienst van den profeet Jeremía.

2
הַגִּ֨ידוּ בַ/גּוֹיִ֤ם וְ/הַשְׁמִ֨יעוּ֙ וּֽ/שְׂאוּ נֵ֔ס הַשְׁמִ֖יעוּ אַל תְּכַחֵ֑דוּ אִמְרוּ֩ נִלְכְּדָ֨ה בָבֶ֜ל הֹבִ֥ישׁ בֵּל֙ חַ֣ת מְרֹדָ֔ךְ הֹבִ֣ישׁוּ עֲצַבֶּ֔י/הָ חַ֖תּוּ גִּלּוּלֶֽי/הָ־־׃
STATEN

Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Meródach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd!

3
כִּ֣י עָלָה֩ עָלֶ֨י/הָ גּ֜וֹי מִ/צָּפ֗וֹן הֽוּא יָשִׁ֤ית אֶת אַרְצָ/הּ֙ לְ/שַׁמָּ֔ה וְ/לֹֽא יִהְיֶ֥ה יוֹשֵׁ֖ב בָּ֑/הּ מֵ/אָדָ֥ם וְ/עַד בְּהֵמָ֖ה נָ֥דוּ הָלָֽכוּ־־־־׃
STATEN

Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!

4
בַּ/יָּמִ֨ים הָ/הֵ֜מָּה וּ/בָ/עֵ֤ת הַ/הִיא֙ נְאֻם יְהוָ֔ה יָבֹ֧אוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל הֵ֥מָּה וּ/בְנֵֽי יְהוּדָ֖ה יַחְדָּ֑ו הָל֤וֹךְ וּ/בָכוֹ֙ יֵלֵ֔כוּ וְ/אֶת יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/הֶ֖ם יְבַקֵּֽשׁוּ־־־־׃
STATEN

In dezelve dagen en ter zelver tijd, spreekt de HEERE, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en den HEERE, hun God, zoeken.

5
צִיּ֣וֹן יִשְׁאָ֔לוּ דֶּ֖רֶךְ הֵ֣נָּה פְנֵי/הֶ֑ם בֹּ֚אוּ וְ/נִלְו֣וּ אֶל יְהוָ֔ה בְּרִ֥ית עוֹלָ֖ם לֹ֥א תִשָּׁכֵֽחַ־׃ס
STATEN

Zij zullen naar Sion vragen; op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den HEERE toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten.

6
צֹ֤אן אֹֽבְדוֹת֙ היה עַמִּ֔/י רֹעֵי/הֶ֣ם הִתְע֔וּ/ם הָרִ֖ים שובבים מֵ/הַ֤ר אֶל גִּבְעָה֙ הָלָ֔כוּ שָׁכְח֖וּ רִבְצָֽ/ם הָי֣וּ שֽׁוֹבְב֑וּ/ם־׃
STATEN

Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.

7
כָּל מוֹצְאֵי/הֶ֣ם אֲכָל֔וּ/ם וְ/צָרֵי/הֶ֥ם אָמְר֖וּ לֹ֣א נֶאְשָׁ֑ם תַּ֗חַת אֲשֶׁ֨ר חָטְא֤וּ לַֽ/יהוָה֙ נְוֵה צֶ֔דֶק וּ/מִקְוֵ֥ה אֲבֽוֹתֵי/הֶ֖ם יְהוָֽה־־׃ס
STATEN

Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den HEERE, de Verwachting hunner vaderen.

8
נֻ֚דוּ מִ/תּ֣וֹךְ בָּבֶ֔ל וּ/מֵ/אֶ֥רֶץ כַּשְׂדִּ֖ים יצאו וִ/הְי֕וּ כְּ/עַתּוּדִ֖ים לִ/פְנֵי צֹֽאן צֵ֑אוּ־׃
STATEN

Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit der Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde henen.

9
כִּ֣י הִנֵּ֣ה אָנֹכִ֡י מֵעִיר֩ וּ/מַעֲלֶ֨ה עַל בָּבֶ֜ל קְהַל גּוֹיִ֤ם גְּדֹלִים֙ מֵ/אֶ֣רֶץ צָפ֔וֹן וְ/עָ֣רְכוּ לָ֔/הּ מִ/שָּׁ֖ם תִּלָּכֵ֑ד חִצָּי/ו֙ כְּ/גִבּ֣וֹר מַשְׁכִּ֔יל לֹ֥א יָשׁ֖וּב רֵיקָֽם־־׃
STATEN

Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal ledig wederkeren.

10
וְ/הָיְתָ֥ה כַשְׂדִּ֖ים לְ/שָׁלָ֑ל כָּל שֹׁלְלֶ֥י/הָ יִשְׂבָּ֖עוּ נְאֻם יְהוָֽה־־׃
STATEN

En Chaldéa zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.

11
כִּ֤י תשמחי כִּ֣י תעלזי שֹׁסֵ֖י נַחֲלָתִ֑/י כִּ֤י תפושי כְּ/עֶגְלָ֣ה דָשָׁ֔ה ו/תצהלי כָּ/אֲבִּרִֽים תִשְׂמְחוּ֙ תַֽעֲלְז֔וּ תָפ֨וּשׁוּ֙ וְ/תִצְהֲל֖וּ׃
STATEN

Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars Mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;

12
בּ֤וֹשָׁה אִמְּ/כֶם֙ מְאֹ֔ד חָפְרָ֖ה יֽוֹלַדְתְּ/כֶ֑ם הִנֵּה֙ אַחֲרִ֣ית גּוֹיִ֔ם מִדְבָּ֖ר צִיָּ֥ה וַ/עֲרָבָֽה׃
STATEN

Zo is uw moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; ziet, zij is geworden de achterste der heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis.

Op De Naamdragers

Blogs over Jeremia 50

Nog geen artikelen die specifiek naar Jeremia 50 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →