KETUVIM
Psalmen 108
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
שִׁ֖יר מִזְמ֣וֹר לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een lied, een psalm van David.
נָכ֣וֹן לִבִּ֣/י אֱלֹהִ֑ים אָשִׁ֥ירָה וַ֝/אֲזַמְּרָ֗ה אַף כְּבוֹדִֽ/י־׃
STATEN
O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
ע֭וּרָֽ/ה הַ/נֵּ֥בֶל וְ/כִנּ֗וֹר אָעִ֥ירָה שָּֽׁחַר׃
STATEN
Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
אוֹדְ/ךָ֖ בָ/עַמִּ֥ים יְהוָ֑ה וַ֝/אֲזַמֶּרְ/ךָ֗ בַּל אֻמִּֽים׀־׃
STATEN
Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natiën.
כִּֽי גָד֣וֹל מֵֽ/עַל שָׁמַ֣יִם חַסְדֶּ֑/ךָ וְֽ/עַד שְׁחָקִ֥ים אֲמִתֶּֽ/ךָ־־־׃
STATEN
Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
ר֣וּמָ/ה עַל שָׁמַ֣יִם אֱלֹהִ֑ים וְ/עַ֖ל כָּל הָ/אָ֣רֶץ כְּבוֹדֶֽ/ךָ־־׃
STATEN
Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
לְ֭מַעַן יֵחָלְצ֣וּ/ן יְדִידֶ֑י/ךָ הוֹשִׁ֖יעָ/ה יְמִֽינְ/ךָ֣ וַ/עֲנֵֽ/נִי׃
STATEN
Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
אֱלֹהִ֤ים דִּבֶּ֥ר בְּ/קָדְשׁ֗/וֹ אֶעְלֹ֥זָה אֲחַלְּקָ֥ה שְׁכֶ֑ם וְ/עֵ֖מֶק סֻכּ֣וֹת אֲמַדֵּֽד׀׃
STATEN
God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
לִ֤/י גִלְעָ֨ד לִ֤/י מְנַשֶּׁ֗ה וְ֭/אֶפְרַיִם מָע֣וֹז רֹאשִׁ֑/י יְ֝הוּדָ֗ה מְחֹקְקִֽ/י׀׃
STATEN
Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.
מוֹאָ֤ב סִ֬יר רַחְצִ֗/י עַל אֱ֭דוֹם אַשְׁלִ֣יךְ נַעֲלִ֑/י עֲלֵֽי פְ֝לֶ֗שֶׁת אֶתְרוֹעָֽע׀־־׃
STATEN
Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.
מִ֣י יֹ֭בִלֵ/נִי עִ֣יר מִבְצָ֑ר מִ֖י נָחַ֣/נִי עַד אֱדֽוֹם־׃
STATEN
Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
הֲ/לֹֽא אֱלֹהִ֥ים זְנַחְתָּ֑/נוּ וְֽ/לֹא תֵצֵ֥א אֱ֝לֹהִ֗ים בְּ/צִבְאֹתֵֽי/נוּ־־׃
STATEN
Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?