KETUVIM

Psalmen 22

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ֭/מְנַצֵּחַ עַל אַיֶּ֥לֶת הַ/שַּׁ֗חַר מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasscháchar.

2
אֵלִ֣/י אֵ֭לִ/י לָ/מָ֣ה עֲזַבְתָּ֑/נִי רָח֥וֹק מִֽ֝/ישׁוּעָתִ֗/י דִּבְרֵ֥י שַׁאֲגָתִֽ/י
STATEN

Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

3
אֱֽלֹהַ֗/י אֶקְרָ֣א י֭וֹמָם וְ/לֹ֣א תַעֲנֶ֑ה וְ֝/לַ֗יְלָה וְֽ/לֹא דֽוּמִיָּ֥ה לִֽ/י
STATEN

Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

4
וְ/אַתָּ֥ה קָד֑וֹשׁ י֝וֹשֵׁ֗ב תְּהִלּ֥וֹת יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls.

5
בְּ֭/ךָ בָּטְח֣וּ אֲבֹתֵ֑י/נוּ בָּ֝טְח֗וּ וַֽ/תְּפַלְּטֵֽ/מוֹ
STATEN

Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.

6
אֵלֶ֣י/ךָ זָעֲק֣וּ וְ/נִמְלָ֑טוּ בְּ/ךָ֖ בָטְח֣וּ וְ/לֹא בֽוֹשׁוּ
STATEN

Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

7
וְ/אָנֹכִ֣י תוֹלַ֣עַת וְ/לֹא אִ֑ישׁ חֶרְפַּ֥ת אָ֝דָ֗ם וּ/בְז֥וּי עָֽם
STATEN

Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

8
כָּל רֹ֭אַ/י יַלְעִ֣גוּ לִ֑/י יַפְטִ֥ירוּ בְ֝/שָׂפָ֗ה יָנִ֥יעוּ רֹֽאשׁ
STATEN

Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:

9
גֹּ֣ל אֶל יְהוָ֣ה יְפַלְּטֵ֑/הוּ יַ֝צִּילֵ֗/הוּ כִּ֘י חָ֥פֵֽץ בּֽ/וֹ
STATEN

Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

10
כִּֽי אַתָּ֣ה גֹחִ֣/י מִ/בָּ֑טֶן מַ֝בְטִיחִ֗/י עַל שְׁדֵ֥י אִמִּֽ/י
STATEN

Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.

11
עָ֭לֶי/ךָ הָשְׁלַ֣כְתִּי מֵ/רָ֑חֶם מִ/בֶּ֥טֶן אִ֝מִּ֗/י אֵ֣לִ/י אָֽתָּה
STATEN

Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

12
אַל תִּרְחַ֣ק מִ֭מֶּ/נִּי כִּי צָרָ֣ה קְרוֹבָ֑ה כִּי אֵ֥ין עוֹזֵֽר
STATEN

Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.

13
סְ֭בָבוּ/נִי פָּרִ֣ים רַבִּ֑ים אַבִּירֵ֖י בָשָׁ֣ן כִּתְּרֽוּ/נִי
STATEN

Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

14
פָּצ֣וּ עָלַ֣/י פִּי/הֶ֑ם אַ֝רְיֵ֗ה טֹרֵ֥ף וְ/שֹׁאֵֽג
STATEN

Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

15
כַּ/מַּ֥יִם נִשְׁפַּכְתִּי֮ וְ/הִתְפָּֽרְד֗וּ כָּֽל עַצְמ֫וֹתָ֥/י הָיָ֣ה לִ֭בִּ/י כַּ/דּוֹנָ֑ג נָ֝מֵ֗ס בְּ/ת֣וֹךְ מֵעָֽ/י
STATEN

Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

16
יָ֘בֵ֤שׁ כַּ/חֶ֨רֶשׂ כֹּחִ֗/י וּ֭/לְשׁוֹנִ/י מֻדְבָּ֣ק מַלְקוֹחָ֑/י וְֽ/לַ/עֲפַר מָ֥וֶת תִּשְׁפְּתֵֽ/נִי
STATEN

Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

17
כִּ֥י סְבָב֗וּ/נִי כְּלָ֫בִ֥ים עֲדַ֣ת מְ֭רֵעִים הִקִּיפ֑וּ/נִי כָּ֝/אֲרִ֗י יָדַ֥/י וְ/רַגְלָֽ/י
STATEN

Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

18
אֲסַפֵּ֥ר כָּל עַצְמוֹתָ֑/י הֵ֥מָּה יַ֝בִּ֗יטוּ יִרְאוּ בִֽ/י
STATEN

Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

19
יְחַלְּק֣וּ בְגָדַ֣/י לָ/הֶ֑ם וְ/עַל לְ֝בוּשִׁ֗/י יַפִּ֥ילוּ גוֹרָֽל
STATEN

Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

20
וְ/אַתָּ֣ה יְ֭הוָה אַל תִּרְחָ֑ק אֱ֝יָלוּתִ֗/י לְ/עֶזְרָ֥תִ/י חֽוּשָׁ/ה
STATEN

Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.

21
הַצִּ֣ילָ/ה מֵ/חֶ֣רֶב נַפְשִׁ֑/י מִ/יַּד כֶּ֝֗לֶב יְחִידָתִֽ/י
STATEN

Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

22
ה֭וֹשִׁיעֵ/נִי מִ/פִּ֣י אַרְיֵ֑ה וּ/מִ/קַּרְנֵ֖י רֵמִ֣ים עֲנִיתָֽ/נִי
STATEN

Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.

23
אֲסַפְּרָ֣ה שִׁמְ/ךָ֣ לְ/אֶחָ֑/י בְּ/ת֖וֹךְ קָהָ֣ל אֲהַלְלֶֽ/ךָּ
STATEN

Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.

24
יִרְאֵ֤י יְהוָ֨ה הַֽלְל֗וּ/הוּ כָּל זֶ֣רַע יַעֲקֹ֣ב כַּבְּד֑וּ/הוּ וְ/ג֥וּרוּ מִ֝מֶּ֗/נּוּ כָּל זֶ֥רַע יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israël!

25
כִּ֤י לֹֽא בָזָ֨ה וְ/לֹ֪א שִׁקַּ֡ץ עֱנ֬וּת עָנִ֗י וְ/לֹא הִסְתִּ֣יר פָּנָ֣י/ו מִמֶּ֑/נּוּ וּֽ/בְ/שַׁוְּע֖/וֹ אֵלָ֣י/ו שָׁמֵֽעַ
STATEN

Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

26
מֵ֥/אִתְּ/ךָ֗ תְֽהִלָּ֫תִ֥/י בְּ/קָהָ֥ל רָ֑ב נְדָרַ֥/י אֲ֝שַׁלֵּ֗ם נֶ֣גֶד יְרֵאָֽי/ו
STATEN

Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.

27
יֹאכְל֬וּ עֲנָוִ֨ים וְ/יִשְׂבָּ֗עוּ יְהַֽלְל֣וּ יְ֭הוָה דֹּ֣רְשָׁ֑י/ו יְחִ֖י לְבַבְ/כֶ֣ם לָ/עַֽד
STATEN

De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.

28
יִזְכְּר֤וּ וְ/יָשֻׁ֣בוּ אֶל יְ֭הוָה כָּל אַפְסֵי אָ֑רֶץ וְ/יִֽשְׁתַּחֲו֥וּ לְ֝/פָנֶ֗י/ךָ כָּֽל מִשְׁפְּח֥וֹת גּוֹיִֽם
STATEN

Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.

29
כִּ֣י לַ֭/יהוָה הַ/מְּלוּכָ֑ה וּ֝/מֹשֵׁ֗ל בַּ/גּוֹיִֽם
STATEN

Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.

30
אָכְל֬וּ וַ/יִּֽשְׁתַּחֲוּ֨וּ כָּֽל דִּשְׁנֵי אֶ֗רֶץ לְ/פָנָ֣י/ו יִ֭כְרְעוּ כָּל יוֹרְדֵ֣י עָפָ֑ר וְ֝/נַפְשׁ֗/וֹ לֹ֣א חִיָּֽה
STATEN

Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.

31
זֶ֥רַע יַֽעַבְדֶ֑/נּוּ יְסֻפַּ֖ר לַֽ/אדֹנָ֣/י לַ/דּֽוֹר
STATEN

Het zaad zal Hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.

32
יָ֭בֹאוּ וְ/יַגִּ֣ידוּ צִדְקָת֑/וֹ לְ/עַ֥ם נ֝וֹלָ֗ד כִּ֣י עָשָֽׂה
STATEN

Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.