KETUVIM
Psalmen 22
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ֭/מְנַצֵּחַ עַל אַיֶּ֥לֶת הַ/שַּׁ֗חַר מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד־׃
STATEN
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasscháchar.
אֵלִ֣/י אֵ֭לִ/י לָ/מָ֣ה עֲזַבְתָּ֑/נִי רָח֥וֹק מִֽ֝/ישׁוּעָתִ֗/י דִּבְרֵ֥י שַׁאֲגָתִֽ/י׃
STATEN
Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
אֱֽלֹהַ֗/י אֶקְרָ֣א י֭וֹמָם וְ/לֹ֣א תַעֲנֶ֑ה וְ֝/לַ֗יְלָה וְֽ/לֹא דֽוּמִיָּ֥ה לִֽ/י־׃
STATEN
Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
וְ/אַתָּ֥ה קָד֑וֹשׁ י֝וֹשֵׁ֗ב תְּהִלּ֥וֹת יִשְׂרָאֵֽל׃
STATEN
Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls.
בְּ֭/ךָ בָּטְח֣וּ אֲבֹתֵ֑י/נוּ בָּ֝טְח֗וּ וַֽ/תְּפַלְּטֵֽ/מוֹ׃
STATEN
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
אֵלֶ֣י/ךָ זָעֲק֣וּ וְ/נִמְלָ֑טוּ בְּ/ךָ֖ בָטְח֣וּ וְ/לֹא בֽוֹשׁוּ־׃
STATEN
Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
וְ/אָנֹכִ֣י תוֹלַ֣עַת וְ/לֹא אִ֑ישׁ חֶרְפַּ֥ת אָ֝דָ֗ם וּ/בְז֥וּי עָֽם־׃
STATEN
Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
כָּל רֹ֭אַ/י יַלְעִ֣גוּ לִ֑/י יַפְטִ֥ירוּ בְ֝/שָׂפָ֗ה יָנִ֥יעוּ רֹֽאשׁ־׃
STATEN
Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
גֹּ֣ל אֶל יְהוָ֣ה יְפַלְּטֵ֑/הוּ יַ֝צִּילֵ֗/הוּ כִּ֘י חָ֥פֵֽץ בּֽ/וֹ־׃
STATEN
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
כִּֽי אַתָּ֣ה גֹחִ֣/י מִ/בָּ֑טֶן מַ֝בְטִיחִ֗/י עַל שְׁדֵ֥י אִמִּֽ/י־־׃
STATEN
Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
עָ֭לֶי/ךָ הָשְׁלַ֣כְתִּי מֵ/רָ֑חֶם מִ/בֶּ֥טֶן אִ֝מִּ֗/י אֵ֣לִ/י אָֽתָּה׃
STATEN
Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
אַל תִּרְחַ֣ק מִ֭מֶּ/נִּי כִּי צָרָ֣ה קְרוֹבָ֑ה כִּי אֵ֥ין עוֹזֵֽר־־־׃
STATEN
Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.