KETUVIM

Psalmen 73

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מִזְמ֗וֹר לְ/אָ֫סָ֥ף אַ֤ךְ ט֭וֹב לְ/יִשְׂרָאֵ֥ל אֱלֹהִ֗ים לְ/בָרֵ֥י לֵבָֽב
STATEN

Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn.

2
וַ/אֲנִ֗י כִּ֭/מְעַט נטוי רַגְלָ֑/י כְּ֝/אַ֗יִן שפכה אֲשֻׁרָֽ/י נָטָ֣יוּ שֻׁפְּכ֥וּ
STATEN

Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.

3
כִּֽי קִ֭נֵּאתִי בַּֽ/הוֹלְלִ֑ים שְׁל֖וֹם רְשָׁעִ֣ים אֶרְאֶֽה
STATEN

Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

4
כִּ֤י אֵ֖ין חַרְצֻבּ֥וֹת לְ/מוֹתָ֗/ם וּ/בָרִ֥יא אוּלָֽ/ם
STATEN

Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.

5
בַּ/עֲמַ֣ל אֱנ֣וֹשׁ אֵינֵ֑/מוֹ וְ/עִם אָ֝דָ֗ם לֹ֣א יְנֻגָּֽעוּ
STATEN

Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

6
לָ֭/כֵן עֲנָקַ֣תְ/מוֹ גַאֲוָ֑ה יַעֲטָף שִׁ֝֗ית חָמָ֥ס לָֽ/מוֹ
STATEN

Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.

7
יָ֭צָא מֵ/חֵ֣לֶב עֵינֵ֑/מוֹ עָ֝בְר֗וּ מַשְׂכִּיּ֥וֹת לֵבָֽב
STATEN

Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

8
יָמִ֤יקוּ וִ/ידַבְּר֣וּ בְ/רָ֣ע עֹ֑שֶׁק מִ/מָּר֥וֹם יְדַבֵּֽרוּ
STATEN

Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.

9
שַׁתּ֣וּ בַ/שָּׁמַ֣יִם פִּי/הֶ֑ם וּ֝/לְשׁוֹנָ֗/ם תִּֽהֲלַ֥ךְ בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

10
לָ/כֵ֤ן ישיב עַמּ֣/וֹ הֲלֹ֑ם וּ/מֵ֥י מָ֝לֵ֗א יִמָּ֥צוּ לָֽ/מוֹ יָשׁ֣וּב
STATEN

Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,

11
וְֽ/אָמְר֗וּ אֵיכָ֥ה יָדַֽע אֵ֑ל וְ/יֵ֖שׁ דֵּעָ֣ה בְ/עֶלְיֽוֹן
STATEN

Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

12
הִנֵּה אֵ֥לֶּה רְשָׁעִ֑ים וְ/שַׁלְוֵ֥י ע֝וֹלָ֗ם הִשְׂגּוּ חָֽיִל
STATEN

Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.

13
אַךְ רִ֭יק זִכִּ֣יתִי לְבָבִ֑/י וָ/אֶרְחַ֖ץ בְּ/נִקָּי֣וֹן כַּפָּֽ/י
STATEN

Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.

14
וָ/אֱהִ֣י נָ֭גוּעַ כָּל הַ/יּ֑וֹם וְ֝/תוֹכַחְתִּ֗/י לַ/בְּקָרִֽים
STATEN

Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

15
אִם אָ֭מַרְתִּי אֲסַפְּרָ֥ה כְמ֑וֹ הִנֵּ֤ה ד֭וֹר בָּנֶ֣י/ךָ בָגָֽדְתִּי
STATEN

Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.

16
וָֽ֭/אֲחַשְּׁבָ/ה לָ/דַ֣עַת זֹ֑את עָמָ֖ל היא בְ/עֵינָֽ/י ה֣וּא
STATEN

Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;

17
עַד אָ֭בוֹא אֶל מִקְדְּשֵׁי אֵ֑ל אָ֝בִ֗ינָה לְ/אַחֲרִיתָֽ/ם
STATEN

Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

18
אַ֣ךְ בַּ֭/חֲלָקוֹת תָּשִׁ֣ית לָ֑/מוֹ הִ֝פַּלְתָּ֗/ם לְ/מַשּׁוּאֽוֹת
STATEN

Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

19
אֵ֤יךְ הָי֣וּ לְ/שַׁמָּ֣ה כְ/רָ֑גַע סָ֥פוּ תַ֝֗מּוּ מִן בַּלָּהֽוֹת
STATEN

Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

20
כַּ/חֲל֥וֹם מֵ/הָקִ֑יץ אֲ֝דֹנָ/י בָּ/עִ֤יר צַלְמָ֬/ם תִּבְזֶֽה
STATEN

Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.

21
כִּ֭י יִתְחַמֵּ֣ץ לְבָבִ֑/י וְ֝/כִלְיוֹתַ֗/י אֶשְׁתּוֹנָֽן
STATEN

Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

22
וַ/אֲנִי בַ֭עַר וְ/לֹ֣א אֵדָ֑ע בְּ֝הֵמ֗וֹת הָיִ֥יתִי עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

23
וַ/אֲנִ֣י תָמִ֣יד עִמָּ֑/ךְ אָ֝חַ֗זְתָּ בְּ/יַד יְמִינִֽ/י
STATEN

Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;

24
בַּ/עֲצָתְ/ךָ֥ תַנְחֵ֑/נִי וְ֝/אַחַ֗ר כָּב֥וֹד תִּקָּחֵֽ/נִי
STATEN

Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

25
מִי לִ֥/י בַ/שָּׁמָ֑יִם וְ֝/עִמְּ/ךָ֗ לֹא חָפַ֥צְתִּי בָ/אָֽרֶץ
STATEN

Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!

26
כָּלָ֥ה שְׁאֵרִ֗/י וּ/לְבָ֫בִ֥/י צוּר לְבָבִ֥/י וְ/חֶלְקִ֗/י אֱלֹהִ֥ים לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.

27
כִּֽי הִנֵּ֣ה רְחֵקֶ֣י/ךָ יֹאבֵ֑דוּ הִ֝צְמַ֗תָּה כָּל זוֹנֶ֥ה מִמֶּֽ/ךָּ
STATEN

Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.

28
וַ/אֲנִ֤י קִֽרֲבַ֥ת אֱלֹהִ֗ים לִ֫/י ט֥וֹב שַׁתִּ֤י בַּ/אדֹנָ֣/י יְהֹוִ֣ה מַחְסִ֑/י לְ֝/סַפֵּ֗ר כָּל מַלְאֲכוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.