KETUVIM

Psalmen 63

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִ֑ד בִּ֝/הְיוֹת֗/וֹ בְּ/מִדְבַּ֥ר יְהוּדָֽה
STATEN

Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.

2
אֱלֹהִ֤ים אֵלִ֥/י אַתָּ֗ה אֲֽשַׁחֲ֫רֶ֥/ךָּ צָמְאָ֬ה לְ/ךָ֨ נַפְשִׁ֗/י כָּמַ֣הּ לְ/ךָ֣ בְשָׂרִ֑/י בְּ/אֶֽרֶץ צִיָּ֖ה וְ/עָיֵ֣ף בְּלִי מָֽיִם
STATEN

O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.

3
כֵּ֭ן בַּ/קֹּ֣דֶשׁ חֲזִיתִ֑י/ךָ לִ/רְא֥וֹת עֻ֝זְּ/ךָ֗ וּ/כְבוֹדֶֽ/ךָ
STATEN

Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;

4
כִּי ט֣וֹב חַ֭סְדְּ/ךָ מֵֽ/חַיִּ֗ים שְׂפָתַ֥/י יְשַׁבְּחֽוּ/נְךָ
STATEN

Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.

5
כֵּ֣ן אֲבָרֶכְ/ךָ֣ בְ/חַיָּ֑/י בְּ֝/שִׁמְ/ךָ אֶשָּׂ֥א כַפָּֽ/י
STATEN

Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

6
כְּמ֤וֹ חֵ֣לֶב וָ֭/דֶשֶׁן תִּשְׂבַּ֣ע נַפְשִׁ֑/י וְ/שִׂפְתֵ֥י רְ֝נָנ֗וֹת יְהַלֶּל פִּֽ/י
STATEN

Mij ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.

7
אִם זְכַרְתִּ֥י/ךָ עַל יְצוּעָ֑/י בְּ֝/אַשְׁמֻר֗וֹת אֶהְגֶּה בָּֽ/ךְ
STATEN

Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.

8
כִּֽי הָיִ֣יתָ עֶזְרָ֣תָ/ה לִּ֑/י וּ/בְ/צֵ֖ל כְּנָפֶ֣י/ךָ אֲרַנֵּֽן
STATEN

Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.

9
דָּבְקָ֣ה נַפְשִׁ֣/י אַחֲרֶ֑י/ךָ בִּ֝֗/י תָּמְכָ֥ה יְמִינֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.

10
וְ/הֵ֗מָּה לְ֭/שׁוֹאָה יְבַקְשׁ֣וּ נַפְשִׁ֑/י יָ֝בֹ֗אוּ בְּֽ/תַחְתִּיּ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.

11
יַגִּירֻ֥/הוּ עַל יְדֵי חָ֑רֶב מְנָ֖ת שֻׁעָלִ֣ים יִהְיֽוּ
STATEN

Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen den vossen ten deel worden.

12
וְ/הַ/מֶּלֶךְ֮ יִשְׂמַ֪ח בֵּ/אלֹ֫הִ֥ים יִ֭תְהַלֵּל כָּל הַ/נִּשְׁבָּ֣ע בּ֑/וֹ כִּ֥י יִ֝סָּכֵ֗ר פִּ֣י דֽוֹבְרֵי שָֽׁקֶר
STATEN

Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.