KETUVIM
Psalmen 63
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִ֑ד בִּ֝/הְיוֹת֗/וֹ בְּ/מִדְבַּ֥ר יְהוּדָֽה׃
STATEN
Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.
אֱלֹהִ֤ים אֵלִ֥/י אַתָּ֗ה אֲֽשַׁחֲ֫רֶ֥/ךָּ צָמְאָ֬ה לְ/ךָ֨ נַפְשִׁ֗/י כָּמַ֣הּ לְ/ךָ֣ בְשָׂרִ֑/י בְּ/אֶֽרֶץ צִיָּ֖ה וְ/עָיֵ֣ף בְּלִי מָֽיִם׀׀־־׃
STATEN
O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
כֵּ֭ן בַּ/קֹּ֣דֶשׁ חֲזִיתִ֑י/ךָ לִ/רְא֥וֹת עֻ֝זְּ/ךָ֗ וּ/כְבוֹדֶֽ/ךָ׃
STATEN
Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
כִּי ט֣וֹב חַ֭סְדְּ/ךָ מֵֽ/חַיִּ֗ים שְׂפָתַ֥/י יְשַׁבְּחֽוּ/נְךָ־׃
STATEN
Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.
כֵּ֣ן אֲבָרֶכְ/ךָ֣ בְ/חַיָּ֑/י בְּ֝/שִׁמְ/ךָ אֶשָּׂ֥א כַפָּֽ/י׃
STATEN
Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
כְּמ֤וֹ חֵ֣לֶב וָ֭/דֶשֶׁן תִּשְׂבַּ֣ע נַפְשִׁ֑/י וְ/שִׂפְתֵ֥י רְ֝נָנ֗וֹת יְהַלֶּל פִּֽ/י־׃
STATEN
Mij ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
אִם זְכַרְתִּ֥י/ךָ עַל יְצוּעָ֑/י בְּ֝/אַשְׁמֻר֗וֹת אֶהְגֶּה בָּֽ/ךְ־־־׃
STATEN
Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
כִּֽי הָיִ֣יתָ עֶזְרָ֣תָ/ה לִּ֑/י וּ/בְ/צֵ֖ל כְּנָפֶ֣י/ךָ אֲרַנֵּֽן־׃
STATEN
Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.
דָּבְקָ֣ה נַפְשִׁ֣/י אַחֲרֶ֑י/ךָ בִּ֝֗/י תָּמְכָ֥ה יְמִינֶֽ/ךָ׃
STATEN
Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.
וְ/הֵ֗מָּה לְ֭/שׁוֹאָה יְבַקְשׁ֣וּ נַפְשִׁ֑/י יָ֝בֹ֗אוּ בְּֽ/תַחְתִּיּ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ׃
STATEN
Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.
יַגִּירֻ֥/הוּ עַל יְדֵי חָ֑רֶב מְנָ֖ת שֻׁעָלִ֣ים יִהְיֽוּ־־׃
STATEN
Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen den vossen ten deel worden.
וְ/הַ/מֶּלֶךְ֮ יִשְׂמַ֪ח בֵּ/אלֹ֫הִ֥ים יִ֭תְהַלֵּל כָּל הַ/נִּשְׁבָּ֣ע בּ֑/וֹ כִּ֥י יִ֝סָּכֵ֗ר פִּ֣י דֽוֹבְרֵי שָֽׁקֶר־־׃
STATEN
Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.