KETUVIM

Psalmen 116

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
אָ֭הַבְתִּי כִּֽי יִשְׁמַ֥ע יְהוָ֑ה אֶת ק֝וֹלִ֗/י תַּחֲנוּנָֽ/י
STATEN

Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;

2
כִּֽי הִטָּ֣ה אָזְנ֣/וֹ לִ֑/י וּ/בְ/יָמַ֥/י אֶקְרָֽא
STATEN

Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.

3
אֲפָפ֤וּ/נִי חֶבְלֵי מָ֗וֶת וּ/מְצָרֵ֣י שְׁא֣וֹל מְצָא֑וּ/נִי צָרָ֖ה וְ/יָג֣וֹן אֶמְצָֽא
STATEN

De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

4
וּ/בְ/שֵֽׁם יְהוָ֥ה אֶקְרָ֑א אָנָּ֥ה יְ֝הוָ֗ה מַלְּטָ֥/ה נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.

5
חַנּ֣וּן יְהֹוָ֣ה וְ/צַדִּ֑יק וֵ֖/אלֹהֵ֣י/נוּ מְרַחֵֽם
STATEN

De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

6
שֹׁמֵ֣ר פְּתָאיִ֣ם יְהֹוָ֑ה דַּ֝לּוֹתִ֗י וְ/לִ֣/י יְהוֹשִֽׁיעַ
STATEN

De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.

7
שׁוּבִ֣י נַ֭פְשִׁ/י לִ/מְנוּחָ֑יְ/כִי כִּֽי יְ֝הוָ֗ה גָּמַ֥ל עָלָֽיְ/כִי
STATEN

Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.

8
כִּ֤י חִלַּ֥צְתָּ נַפְשִׁ֗/י מִ֫/מָּ֥וֶת אֶת עֵינִ֥/י מִן דִּמְעָ֑ה אֶת רַגְלִ֥/י מִ/דֶּֽחִי
STATEN

Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van den dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.

9
אֶ֭תְהַלֵּךְ לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה בְּ֝/אַרְצ֗וֹת הַֽ/חַיִּֽים
STATEN

Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.

10
הֶ֭אֱמַנְתִּי כִּ֣י אֲדַבֵּ֑ר אֲ֝נִ֗י עָנִ֥יתִי מְאֹֽד
STATEN

Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.

11
אֲ֭נִי אָמַ֣רְתִּי בְ/חָפְזִ֑/י כָּֽל הָ/אָדָ֥ם כֹּזֵֽב
STATEN

Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.

12
מָֽה אָשִׁ֥יב לַ/יהוָ֑ה כָּֽל תַּגְמוּל֥וֹ/הִי עָלָֽ/י
STATEN

Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?

13
כּוֹס יְשׁוּע֥וֹת אֶשָּׂ֑א וּ/בְ/שֵׁ֖ם יְהוָ֣ה אֶקְרָֽא
STATEN

Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.

14
נְ֭דָרַ/י לַ/יהוָ֣ה אֲשַׁלֵּ֑ם נֶגְדָ/ה נָּ֝֗א לְ/כָל עַמּֽ/וֹ
STATEN

Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

15
יָ֭קָר בְּ/עֵינֵ֣י יְהוָ֑ה הַ֝/מָּ֗וְתָ/ה לַ/חֲסִידָֽי/ו
STATEN

Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.

16
אָֽנָּ֣ה יְהוָה֮ כִּֽי אֲנִ֪י עַ֫בְדֶּ֥/ךָ אֲֽנִי עַ֭בְדְּ/ךָ בֶּן אֲמָתֶ֑/ךָ פִּ֝תַּ֗חְתָּ לְ/מוֹסֵרָֽ/י
STATEN

Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.

17
לְֽ/ךָ אֶ֭זְבַּח זֶ֣בַח תּוֹדָ֑ה וּ/בְ/שֵׁ֖ם יְהוָ֣ה אֶקְרָֽא
STATEN

Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.

18
נְ֭דָרַ/י לַ/יהוָ֣ה אֲשַׁלֵּ֑ם נֶגְדָ/ה נָּ֝֗א לְ/כָל עַמּֽ/וֹ
STATEN

Ik zal mijn gelofte den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk;

19
בְּ/חַצְר֤וֹת בֵּ֤ית יְהוָ֗ה בְּֽ/ת֘וֹכֵ֤/כִי יְֽרוּשָׁלִָ֗ם הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!