KETUVIM
Psalmen 88
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
שִׁ֥יר מִזְמ֗וֹר לִ/בְנֵ֫י קֹ֥רַח לַ/מְנַצֵּ֣חַ עַל מָחֲלַ֣ת לְ/עַנּ֑וֹת מַ֝שְׂכִּ֗יל לְ/הֵימָ֥ן הָ/אֶזְרָחִֽי־׃
STATEN
Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Máchalath Leánnôth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.
יְ֭הוָה אֱלֹהֵ֣י יְשׁוּעָתִ֑/י יוֹם צָעַ֖קְתִּי בַ/לַּ֣יְלָה נֶגְדֶּֽ/ךָ־׃
STATEN
O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
תָּב֣וֹא לְ֭/פָנֶי/ךָ תְּפִלָּתִ֑/י הַטֵּֽה אָ֝זְנְ/ךָ֗ לְ/רִנָּתִֽ/י־׃
STATEN
Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.
כִּֽי שָֽׂבְעָ֣ה בְ/רָע֣וֹת נַפְשִׁ֑/י וְ/חַיַּ֗/י לִ/שְׁא֥וֹל הִגִּֽיעוּ־׃
STATEN
Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.
נֶ֭חְשַׁבְתִּי עִם י֣וֹרְדֵי ב֑וֹר הָ֝יִ֗יתִי כְּ/גֶ֣בֶר אֵֽין אֱיָֽל־־׃
STATEN
Ik ben gerekend met degenen, die in den kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
בַּ/מֵּתִ֗ים חָ֫פְשִׁ֥י כְּמ֤וֹ חֲלָלִ֨ים שֹׁ֥כְבֵי קֶ֗בֶר אֲשֶׁ֤ר לֹ֣א זְכַרְתָּ֣/ם ע֑וֹד וְ֝/הֵ֗מָּה מִ/יָּדְ/ךָ֥ נִגְזָֽרוּ׀׃
STATEN
Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
שַׁ֭תַּ/נִי בְּ/ב֣וֹר תַּחְתִּיּ֑וֹת בְּ֝/מַחֲשַׁכִּ֗ים בִּ/מְצֹלֽוֹת׃
STATEN
Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
עָ֭לַ/י סָמְכָ֣ה חֲמָתֶ֑/ךָ וְ/כָל מִ֝שְׁבָּרֶ֗י/ךָ עִנִּ֥יתָ סֶּֽלָה־׃
STATEN
Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.
הִרְחַ֥קְתָּ מְיֻדָּעַ֗/י מִ֫מֶּ֥/נִּי שַׁתַּ֣/נִי תוֹעֵב֣וֹת לָ֑/מוֹ כָּ֝לֻ֗א וְ/לֹ֣א אֵצֵֽא׃
STATEN
Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
עֵינִ֥/י דָאֲבָ֗ה מִנִּ֫י עֹ֥נִי קְרָאתִ֣י/ךָ יְהוָ֣ה בְּ/כָל י֑וֹם שִׁטַּ֖חְתִּי אֵלֶ֣י/ךָ כַפָּֽ/י־׃
STATEN
Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.
הֲ/לַ/מֵּתִ֥ים תַּעֲשֶׂה פֶּ֑לֶא אִם רְ֝פָאִ֗ים יָק֤וּמוּ יוֹד֬וּ/ךָ סֶּֽלָה־־׀׃
STATEN
Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.
הַ/יְסֻפַּ֣ר בַּ/קֶּ֣בֶר חַסְדֶּ֑/ךָ אֱ֝מֽוּנָתְ/ךָ֗ בָּ/אֲבַדּֽוֹן׃
STATEN
Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?