KETUVIM

Psalmen 15

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מִזְמ֗וֹר לְ/דָ֫וִ֥ד יְ֭הֹוָה מִי יָג֣וּר בְּ/אָהֳלֶ֑/ךָ מִֽי יִ֝שְׁכֹּ֗ן בְּ/הַ֣ר קָדְשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?

2
הוֹלֵ֣ךְ תָּ֭מִים וּ/פֹעֵ֥ל צֶ֑דֶק וְ/דֹבֵ֥ר אֱ֝מֶ֗ת בִּ/לְבָבֽ/וֹ
STATEN

Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;

3
לֹֽא רָגַ֨ל עַל לְשֹׁנ֗/וֹ לֹא עָשָׂ֣ה לְ/רֵעֵ֣/הוּ רָעָ֑ה וְ֝/חֶרְפָּ֗ה לֹא נָשָׂ֥א עַל קְרֹֽב/וֹ
STATEN

Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezel geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

4
נִבְזֶ֤ה בְּֽ/עֵ֘ינָ֤י/ו נִמְאָ֗ס וְ/אֶת יִרְאֵ֣י יְהוָ֣ה יְכַבֵּ֑ד נִשְׁבַּ֥ע לְ֝/הָרַ֗ע וְ/לֹ֣א יָמִֽר
STATEN

In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;

5
כַּסְפּ֤/וֹ לֹא נָתַ֣ן בְּ/נֶשֶׁךְ֮ וְ/שֹׁ֥חַד עַל נָקִ֗י לֹ֥א לָ֫קָ֥ח עֹֽשֵׂה אֵ֑לֶּה לֹ֖א יִמּ֣וֹט לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.