KETUVIM

Psalmen 47

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ לִ/בְנֵי קֹ֬רַח מִזְמֽוֹר
STATEN

Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2
כָּֽל הָ֭/עַמִּים תִּקְעוּ כָ֑ף הָרִ֥יעוּ לֵ֝/אלֹהִ֗ים בְּ/ק֣וֹל רִנָּֽה
STATEN

Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.

3
כִּֽי יְהוָ֣ה עֶלְי֣וֹן נוֹרָ֑א מֶ֥לֶךְ גָּ֝דוֹל עַל כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.

4
יַדְבֵּ֣ר עַמִּ֣ים תַּחְתֵּ֑י/נוּ וּ֝/לְאֻמִּ֗ים תַּ֣חַת רַגְלֵֽי/נוּ
STATEN

Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.

5
יִבְחַר לָ֥/נוּ אֶת נַחֲלָתֵ֑/נוּ אֶ֥ת גְּא֨וֹן יַעֲקֹ֖ב אֲשֶׁר אָהֵ֣ב סֶֽלָה
STATEN

Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.

6
עָלָ֣ה אֱ֭לֹהִים בִּ/תְרוּעָ֑ה יְ֝הֹוָ֗ה בְּ/ק֣וֹל שׁוֹפָֽר
STATEN

God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.

7
זַמְּר֣וּ אֱלֹהִ֣ים זַמֵּ֑רוּ זַמְּר֖וּ לְ/מַלְכֵּ֣/נוּ זַמֵּֽרוּ
STATEN

Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!

8
כִּ֤י מֶ֖לֶךְ כָּל הָ/אָ֥רֶץ אֱלֹהִ֗ים זַמְּר֥וּ מַשְׂכִּֽיל
STATEN

Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!

9
מָלַ֣ךְ אֱ֭לֹהִים עַל גּוֹיִ֑ם אֱ֝לֹהִ֗ים יָשַׁ֤ב עַל כִּסֵּ֬א קָדְשֽׁ/וֹ
STATEN

God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.

10
נְדִ֘יבֵ֤י עַמִּ֨ים נֶאֱסָ֗פוּ עַם֮ אֱלֹהֵ֪י אַבְרָ֫הָ֥ם כִּ֣י לֵֽ֭/אלֹהִים מָֽגִנֵּי אֶ֗רֶץ מְאֹ֣ד נַעֲלָֽה
STATEN

De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!