Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 109

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לַ֭/מְנַצֵּחַ לְ/דָוִ֣ד מִזְמ֑וֹר אֱלֹהֵ֥י תְ֝הִלָּתִ֗/י אַֽל תֶּחֱרַֽשׁ־׃
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

2
כִּ֤י פִ֪י רָשָׁ֡ע וּֽ/פִי מִ֭רְמָה עָלַ֣/י פָּתָ֑חוּ דִּבְּר֥וּ אִ֝תִּ֗/י לְשׁ֣וֹן שָֽׁקֶר־׃
STATEN

Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

3
וְ/דִבְרֵ֣י שִׂנְאָ֣ה סְבָב֑וּ/נִי וַ/יִּֽלָּחֲמ֥וּ/נִי חִנָּֽם׃
STATEN

En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

4
תַּֽחַת אַהֲבָתִ֥/י יִשְׂטְנ֗וּ/נִי וַ/אֲנִ֥י תְפִלָּֽה־׃
STATEN

Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.

5
וַ/יָּ֘שִׂ֤ימוּ עָלַ֣/י רָ֭עָה תַּ֣חַת טוֹבָ֑ה וְ֝/שִׂנְאָ֗ה תַּ֣חַת אַהֲבָתִֽ/י׃
STATEN

En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.

6
הַפְקֵ֣ד עָלָ֣י/ו רָשָׁ֑ע וְ֝/שָׂטָ֗ן יַעֲמֹ֥ד עַל יְמִינֽ/וֹ־׃
STATEN

Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.

7
בְּ֭/הִשָּׁ֣פְט/וֹ יֵצֵ֣א רָשָׁ֑ע וּ֝/תְפִלָּת֗/וֹ תִּהְיֶ֥ה לַֽ/חֲטָאָֽה׃
STATEN

Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

8
יִֽהְיֽוּ יָמָ֥י/ו מְעַטִּ֑ים פְּ֝קֻדָּת֗/וֹ יִקַּ֥ח אַחֵֽר־׃
STATEN

Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

9
יִֽהְיוּ בָנָ֥י/ו יְתוֹמִ֑ים וְ֝/אִשְׁתּ/וֹ אַלְמָנָֽה־׃
STATEN

Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

10
וְ/נ֤וֹעַ יָנ֣וּעוּ בָנָ֣י/ו וְ/שִׁאֵ֑לוּ וְ֝/דָרְשׁ֗וּ מֵ/חָרְבוֹתֵי/הֶֽם׃
STATEN

En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

11
יְנַקֵּ֣שׁ נ֭וֹשֶׁה לְ/כָל אֲשֶׁר ל֑/וֹ וְ/יָבֹ֖זּוּ זָרִ֣ים יְגִיעֽ/וֹ־־׃
STATEN

Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

12
אַל יְהִי ל֭/וֹ מֹשֵׁ֣ךְ חָ֑סֶד וְֽ/אַל יְהִ֥י ח֝וֹנֵ֗ן לִ/יתוֹמָֽי/ו־־־׃
STATEN

Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 109

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 109 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →