KETUVIM

Psalmen 140

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2
חַלְּצֵ֣/נִי יְ֭הוָה מֵ/אָדָ֣ם רָ֑ע מֵ/אִ֖ישׁ חֲמָסִ֣ים תִּנְצְרֵֽ/נִי
STATEN

Red mij HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;

3
אֲשֶׁ֤ר חָשְׁב֣וּ רָע֣וֹת בְּ/לֵ֑ב כָּל י֝֗וֹם יָג֥וּרוּ מִלְחָמֽוֹת
STATEN

Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.

4
שָֽׁנֲנ֣וּ לְשׁוֹנָ/ם֮ כְּֽמוֹ נָ֫חָ֥שׁ חֲמַ֥ת עַכְשׁ֑וּב תַּ֖חַת שְׂפָתֵ֣י/מוֹ סֶֽלָה
STATEN

Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

5
שָׁמְרֵ֤/נִי יְהוָ֨ה מִ֘/ידֵ֤י רָשָׁ֗ע מֵ/אִ֣ישׁ חֲמָסִ֣ים תִּנְצְרֵ֑/נִי אֲשֶׁ֥ר חָ֝שְׁב֗וּ לִ/דְח֥וֹת פְּעָמָֽ/י
STATEN

Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

6
טָֽמְנֽוּ גֵאִ֨ים פַּ֡ח לִ֗/י וַ/חֲבָלִ֗ים פָּ֣רְשׂוּ רֶ֭שֶׁת לְ/יַד מַעְגָּ֑ל מֹקְשִׁ֖ים שָֽׁתוּ לִ֣/י סֶֽלָה
STATEN

De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.

7
אָמַ֣רְתִּי לַ֭/יהוָה אֵ֣לִ/י אָ֑תָּה הַאֲזִ֥ינָ/ה יְ֝הוָ֗ה ק֣וֹל תַּחֲנוּנָֽ/י
STATEN

Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.

8
יְהֹוִ֣ה אֲ֭דֹנָ/י עֹ֣ז יְשׁוּעָתִ֑/י סַכֹּ֥תָה לְ֝/רֹאשִׁ֗/י בְּ/י֣וֹם נָֽשֶׁק
STATEN

HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.

9
אַל תִּתֵּ֣ן יְ֭הוָה מַאֲוַיֵּ֣י רָשָׁ֑ע זְמָמ֥/וֹ אַל תָּ֝פֵ֗ק יָר֥וּמוּ סֶֽלָה
STATEN

Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.

10
יְכַסֵּֽ/מוֹ רֹ֥אשׁ מְסִבָּ֑/י עֲמַ֖ל שְׂפָתֵ֣י/מוֹ יכסו/מו
STATEN

Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.

11
יִמּ֥וֹטוּ ימיטו עֲלֵי/הֶ֗ם גֶּֽחָ֫לִ֥ים בָּ/אֵ֥שׁ יַפִּלֵ֑/ם בְּ֝/מַהֲמֹר֗וֹת בַּֽל יָקֽוּמוּ
STATEN

Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

12
אִ֥ישׁ לָשׁוֹן֮ בַּל יִכּ֪וֹן בָּ֫/אָ֥רֶץ אִישׁ חָמָ֥ס רָ֑ע יְ֝צוּדֶ֗/נּוּ לְ/מַדְחֵפֹֽת
STATEN

Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.

13
יָדַ֗עְתִּי ידעת כִּֽי יַעֲשֶׂ֣ה יְ֭הוָה דִּ֣ין עָנִ֑י מִ֝שְׁפַּ֗ט אֶבְיֹנִֽים
STATEN

Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.

14
אַ֣ךְ צַ֭דִּיקִים יוֹד֣וּ לִ/שְׁמֶ֑/ךָ יֵשְׁב֥וּ יְ֝שָׁרִ֗ים אֶת פָּנֶֽי/ךָ
STATEN

Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.