KETUVIM

Psalmen 40

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ֝/מְנַצֵּ֗חַ לְ/דָוִ֥ד מִזְמֽוֹר
STATEN

Davids psalm, voor den opperzangmeester.

2
קַוֺּ֣ה קִוִּ֣יתִי יְהוָ֑ה וַ/יֵּ֥ט אֵ֝לַ֗/י וַ/יִּשְׁמַ֥ע שַׁוְעָתִֽ/י
STATEN

Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.

3
וַ/יַּעֲלֵ֤/נִי מִ/בּ֥וֹר שָׁאוֹן֮ מִ/טִּ֪יט הַ/יָּ֫וֵ֥ן וַ/יָּ֖קֶם עַל סֶ֥לַע רַגְלַ֗/י כּוֹנֵ֥ן אֲשֻׁרָֽ/י
STATEN

En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.

4
וַ/יִּתֵּ֬ן בְּ/פִ֨/י שִׁ֥יר חָדָשׁ֮ תְּהִלָּ֪ה לֵֽ/אלֹ֫הֵ֥י/נוּ יִרְא֣וּ רַבִּ֣ים וְ/יִירָ֑אוּ וְ֝/יִבְטְח֗וּ בַּ/יהוָֽה
STATEN

En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.

5
אַ֥שְֽׁרֵי הַ/גֶּ֗בֶר אֲשֶׁר שָׂ֣ם יְ֭הֹוָה מִבְטַח֑/וֹ וְֽ/לֹא פָנָ֥ה אֶל רְ֝הָבִ֗ים וְ/שָׂטֵ֥י כָזָֽב
STATEN

Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.

6
רַבּ֤וֹת עָשִׂ֨יתָ אַתָּ֤ה יְהוָ֣ה אֱלֹהַ/י֮ נִֽפְלְאֹתֶ֥י/ךָ וּ/מַחְשְׁבֹתֶ֗י/ךָ אֵ֫לֵ֥י/נוּ אֵ֤ין עֲרֹ֬ךְ אֵלֶ֗י/ךָ אַגִּ֥ידָה וַ/אֲדַבֵּ֑רָה עָ֝צְמ֗וּ מִ/סַּפֵּֽר
STATEN

Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.

7
זֶ֤בַח וּ/מִנְחָ֨ה לֹֽא חָפַ֗צְתָּ אָ֭זְנַיִם כָּרִ֣יתָ לִּ֑/י עוֹלָ֥ה וַ֝/חֲטָאָ֗ה לֹ֣א שָׁאָֽלְתָּ
STATEN

Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist.

8
אָ֣ז אָ֭מַרְתִּי הִנֵּה בָ֑אתִי בִּ/מְגִלַּת סֵ֝֗פֶר כָּת֥וּב עָלָֽ/י
STATEN

Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.

9
לַֽ/עֲשֽׂוֹת רְצוֹנְ/ךָ֣ אֱלֹהַ֣/י חָפָ֑צְתִּי וְ֝/ת֥וֹרָתְ/ךָ֗ בְּ/ת֣וֹךְ מֵעָֽ/י
STATEN

Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.

10
בִּשַּׂ֤רְתִּי צֶ֨דֶק בְּ/קָ֘הָ֤ל רָ֗ב הִנֵּ֣ה שְׂ֭פָתַ/י לֹ֣א אֶכְלָ֑א יְ֝הוָ֗ה אַתָּ֥ה יָדָֽעְתָּ
STATEN

Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.

11
צִדְקָתְ/ךָ֬ לֹא כִסִּ֨יתִי בְּ/ת֬וֹךְ לִבִּ֗/י אֱמוּנָתְ/ךָ֣ וּ/תְשׁוּעָתְ/ךָ֣ אָמָ֑רְתִּי לֹא כִחַ֥דְתִּי חַסְדְּ/ךָ֥ וַ֝/אֲמִתְּ/ךָ֗ לְ/קָהָ֥ל רָֽב
STATEN

Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

12
אַתָּ֤ה יְהוָ֗ה לֹא תִכְלָ֣א רַחֲמֶ֣י/ךָ מִמֶּ֑/נִּי חַסְדְּ/ךָ֥ וַ֝/אֲמִתְּ/ךָ֗ תָּמִ֥יד יִצְּרֽוּ/נִי
STATEN

Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.

13
כִּ֤י אָפְפ֥וּ עָלַ֨/י רָע֡וֹת עַד אֵ֬ין מִסְפָּ֗ר הִשִּׂיג֣וּ/נִי עֲ֭וֺנֹתַ/י וְ/לֹא יָכֹ֣לְתִּי לִ/רְא֑וֹת עָצְמ֥וּ מִ/שַּֽׂעֲר֥וֹת רֹ֝אשִׁ֗/י וְ/לִבִּ֥/י עֲזָבָֽ/נִי
STATEN

Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.

14
רְצֵ֣ה יְ֭הוָה לְ/הַצִּילֵ֑/נִי יְ֝הוָ֗ה לְ/עֶזְרָ֥תִ/י חֽוּשָׁ/ה
STATEN

Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.

15
יֵ֘בֹ֤שׁוּ וְ/יַחְפְּר֨וּ יַחַד֮ מְבַקְשֵׁ֥י נַפְשִׁ֗/י לִ/סְפּ֫וֹתָ֥/הּ יִסֹּ֣גוּ אָ֭חוֹר וְ/יִכָּלְמ֑וּ חֲ֝פֵצֵ֗י רָעָתִֽ/י
STATEN

Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.

16
יָ֭שֹׁמּוּ עַל עֵ֣קֶב בָּשְׁתָּ֑/ם הָ/אֹמְרִ֥ים לִ֝֗/י הֶ֘אָ֥ח הֶאָֽח
STATEN

Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!

17
יָ֘שִׂ֤ישׂוּ וְ/יִשְׂמְח֨וּ בְּ/ךָ֗ כָּֽל מְבַ֫קְשֶׁ֥י/ךָ יֹאמְר֣וּ תָ֭מִיד יִגְדַּ֣ל יְהוָ֑ה אֹֽ֝הֲבֵ֗י תְּשׁוּעָתֶֽ/ךָ
STATEN

Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!

18
וַ/אֲנִ֤י עָנִ֣י וְ/אֶבְיוֹן֮ אֲדֹנָ֪/י יַחֲשָׁ֫ב לִ֥/י עֶזְרָתִ֣/י וּ/מְפַלְטִ֣/י אַ֑תָּה אֱ֝לֹהַ֗/י אַל תְּאַחַֽר
STATEN

Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.