Het Woord · Psalmen 79 KETUVIM
Psalmen 79 תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i SINAITICUS i STATEN i KJV i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i JPS1917 i
מִזְמ֗וֹר לְ/אָ֫סָ֥ף אֱֽלֹהִ֡ים בָּ֤אוּ גוֹיִ֨ם בְּֽ/נַחֲלָתֶ֗/ךָ טִ֭מְּאוּ אֶת הֵיכַ֣ל קָדְשֶׁ֑/ךָ שָׂ֖מוּ אֶת יְרוּשָׁלִַ֣ם לְ/עִיִּֽים׀־־׃
STATEN
Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
נָֽתְנ֡וּ אֶת נִבְלַ֬ת עֲבָדֶ֗י/ךָ מַ֭אֲכָל לְ/ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם בְּשַׂ֥ר חֲ֝סִידֶ֗י/ךָ לְ/חַיְת/וֹ אָֽרֶץ־־׃
STATEN
Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
שָׁפְכ֬וּ דָמָ֨/ם כַּ/מַּ֗יִם סְֽבִ֘יב֤וֹת יְֽרוּשָׁלִָ֗ם וְ/אֵ֣ין קוֹבֵֽר׀׃
STATEN
Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הָיִ֣ינוּ חֶ֭רְפָּה לִ/שְׁכֵנֵ֑י/נוּ לַ֥עַג וָ֝/קֶ֗לֶס לִ/סְבִיבוֹתֵֽי/נוּ׃
STATEN
Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עַד מָ֣ה יְ֭הוָה תֶּאֱנַ֣ף לָ/נֶ֑צַח תִּבְעַ֥ר כְּמוֹ אֵ֝֗שׁ קִנְאָתֶֽ/ךָ־־׃
STATEN
Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
שְׁפֹ֤ךְ חֲמָתְ/ךָ֨ אֶֽל הַ/גּוֹיִם֮ אֲשֶׁ֪ר לֹא יְדָ֫ע֥וּ/ךָ וְ/עַ֥ל מַמְלָכ֑וֹת אֲשֶׁ֥ר בְּ֝/שִׁמְ/ךָ֗ לֹ֣א קָרָֽאוּ־־׃
STATEN
Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
כִּ֭י אָכַ֣ל אֶֽת יַעֲקֹ֑ב וְֽ/אֶת נָוֵ֥/הוּ הֵשַֽׁמּוּ־־׃
STATEN
Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אַֽל תִּזְכָּר לָ/נוּ֮ עֲוֺנֹ֪ת רִאשֹׁ֫נִ֥ים מַ֭הֵר יְקַדְּמ֣וּ/נוּ רַחֲמֶ֑י/ךָ כִּ֖י דַלּ֣וֹנוּ מְאֹֽד־־׃
STATEN
Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עָזְרֵ֤/נוּ אֱלֹ֘הֵ֤י יִשְׁעֵ֗/נוּ עַל דְּבַ֥ר כְּבֽוֹד שְׁמֶ֑/ךָ וְ/הַצִּילֵ֥/נוּ וְ/כַפֵּ֥ר עַל חַ֝טֹּאתֵ֗י/נוּ לְמַ֣עַן שְׁמֶֽ/ךָ׀־־־׃
STATEN
Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
לָ֤/מָּה יֹאמְר֣וּ הַ/גּוֹיִם֮ אַיֵּ֪ה אֱֽלֹהֵ֫י/הֶ֥ם יִוָּדַ֣ע ב/גיים לְ/עֵינֵ֑י/נוּ נִ֝קְמַ֗ת דַּֽם עֲבָדֶ֥י/ךָ הַ/שָּׁפֽוּךְ׀־׃ בַּ/גּוֹיִ֣ם
STATEN
Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
תָּ֤ב֣וֹא לְ/פָנֶי/ךָ֮ אֶנְקַ֪ת אָ֫סִ֥יר כְּ/גֹ֥דֶל זְרוֹעֲ/ךָ֑ ה֝וֹתֵ֗ר בְּנֵ֣י תְמוּתָֽה׃
STATEN
Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הָ֘שֵׁ֤ב לִ/שְׁכֵנֵ֣י/נוּ שִׁ֭בְעָתַיִם אֶל חֵיקָ֑/ם חֶרְפָּ֘תָ֤/ם אֲשֶׁ֖ר חֵרְפ֣וּ/ךָ אֲדֹנָֽ/י־׃
STATEN
En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 78 ← → navigeer Hoofdstuk 80 →