KETUVIM

Psalmen 31

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2
בְּ/ךָ֖ יְהוָ֣ה חָ֭סִיתִי אַל אֵב֣וֹשָׁה לְ/עוֹלָ֑ם בְּ/צִדְקָתְ/ךָ֥ פַלְּטֵֽ/נִי
STATEN

Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.

3
הַטֵּ֤ה אֵלַ֨/י אָזְנְ/ךָ֮ מְהֵרָ֪ה הַצִּ֫ילֵ֥/נִי הֱיֵ֤ה לִ֨/י לְֽ/צוּר מָ֭עוֹז לְ/בֵ֥ית מְצוּד֗וֹת לְ/הוֹשִׁיעֵֽ/נִי
STATEN

Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterken Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.

4
כִּֽי סַלְעִ֣/י וּ/מְצוּדָתִ֣/י אָ֑תָּה וּ/לְמַ֥עַן שִׁ֝מְ/ךָ֗ תַּֽנְחֵ֥/נִי וּֽ/תְנַהֲלֵֽ/נִי
STATEN

Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.

5
תּוֹצִיאֵ֗/נִי מֵ/רֶ֣שֶׁת ז֭וּ טָ֣מְנוּ לִ֑/י כִּֽי אַ֝תָּה מָֽעוּזִּֽ/י
STATEN

Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.

6
בְּ/יָדְ/ךָ֮ אַפְקִ֪יד ר֫וּחִ֥/י פָּדִ֖יתָה אוֹתִ֥/י יְהוָ֗ה אֵ֣ל אֱמֶֽת
STATEN

In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!

7
שָׂנֵ֗אתִי הַ/שֹּׁמְרִ֥ים הַבְלֵי שָׁ֑וְא וַ֝/אֲנִ֗י אֶל יְהוָ֥ה בָּטָֽחְתִּי
STATEN

Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.

8
אָגִ֥ילָה וְ/אֶשְׂמְחָ֗ה בְּ/חַ֫סְדֶּ֥/ךָ אֲשֶׁ֣ר רָ֭אִיתָ אֶת עָנְיִ֑/י יָ֝דַ֗עְתָּ בְּ/צָר֥וֹת נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;

9
וְ/לֹ֣א הִ֭סְגַּרְתַּ/נִי בְּ/יַד אוֹיֵ֑ב הֶֽעֱמַ֖דְתָּ בַ/מֶּרְחָ֣ב רַגְלָֽ/י
STATEN

En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.

10
חָנֵּ֥/נִי יְהוָה֮ כִּ֤י צַ֫ר לִ֥/י עָשְׁשָׁ֖ה בְ/כַ֥עַס עֵינִ֗/י נַפְשִׁ֥/י וּ/בִטְנִֽ/י
STATEN

Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.

11
כִּ֤י כָל֪וּ בְ/יָג֡וֹן חַיַּ/י֮ וּ/שְׁנוֹתַ֪/י בַּ/אֲנָ֫חָ֥ה כָּשַׁ֣ל בַּ/עֲוֺנִ֣/י כֹחִ֑/י וַ/עֲצָמַ֥/י עָשֵֽׁשׁוּ
STATEN

Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

12
מִ/כָּל צֹרְרַ֨/י הָיִ֪יתִי חֶרְפָּ֡ה וְ/לִ/שֲׁכֵנַ֨/י מְאֹד֮ וּ/פַ֪חַד לִֽ/מְיֻדָּ֫עָ֥/י רֹאַ֥/י בַּ/ח֑וּץ נָדְד֥וּ מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.

13
נִ֭שְׁכַּחְתִּי כְּ/מֵ֣ת מִ/לֵּ֑ב הָ֝יִ֗יתִי כִּ/כְלִ֥י אֹבֵֽד
STATEN

Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.

14
כִּ֤י שָׁמַ֨עְתִּי דִּבַּ֥ת רַבִּים֮ מָג֪וֹר מִ/סָּ֫בִ֥יב בְּ/הִוָּסְדָ֣/ם יַ֣חַד עָלַ֑/י לָ/קַ֖חַת נַפְשִׁ֣/י זָמָֽמוּ
STATEN

Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.

15
וַ/אֲנִ֤י עָלֶ֣י/ךָ בָטַ֣חְתִּי יְהוָ֑ה אָ֝מַ֗רְתִּי אֱלֹהַ֥/י אָֽתָּה
STATEN

Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.

16
בְּ/יָדְ/ךָ֥ עִתֹּתָ֑/י הַצִּ֘ילֵ֤/נִי מִ/יַּד א֝וֹיְבַ֗/י וּ/מֵ/רֹדְפָֽ/י
STATEN

Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.

17
הָאִ֣ירָ/ה פָ֭נֶי/ךָ עַל עַבְדֶּ֑/ךָ ה֖וֹשִׁיעֵ֣/נִי בְ/חַסְדֶּֽ/ךָ
STATEN

Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.

18
יְֽהוָ֗ה אַל אֵ֭בוֹשָׁה כִּ֣י קְרָאתִ֑י/ךָ יֵבֹ֥שׁוּ רְ֝שָׁעִ֗ים יִדְּמ֥וּ לִ/שְׁאֽוֹל
STATEN

HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

19
תֵּ֥אָלַ֗מְנָה שִׂפְתֵ֫י שָׁ֥קֶר הַ/דֹּבְר֖וֹת עַל צַדִּ֥יק עָתָ֗ק בְּ/גַאֲוָ֥ה וָ/בֽוּז
STATEN

Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.

20
מָ֤ה רַֽב טוּבְ/ךָ֮ אֲשֶׁר צָפַ֪נְתָּ לִּֽ/ירֵ֫אֶ֥י/ךָ פָּ֭עַלְתָּ לַ/חֹסִ֣ים בָּ֑/ךְ נֶ֝֗גֶד בְּנֵ֣י אָדָם
STATEN

O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!

21
תַּסְתִּירֵ֤/ם בְּ/סֵ֥תֶר פָּנֶי/ךָ֮ מֵֽ/רֻכְסֵ֫י אִ֥ישׁ תִּצְפְּנֵ֥/ם בְּ/סֻכָּ֗ה מֵ/רִ֥יב לְשֹׁנֽוֹת
STATEN

Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den twist der tongen.

22
בָּר֥וּךְ יְהוָ֑ה כִּ֥י הִפְלִ֘יא חַסְדּ֥/וֹ לִ֝֗/י בְּ/עִ֣יר מָצֽוֹר
STATEN

Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.

23
וַ/אֲנִ֤י אָ֘מַ֤רְתִּי בְ/חָפְזִ֗/י נִגְרַזְתִּי֮ מִ/נֶּ֪גֶד עֵ֫ינֶ֥י/ךָ אָכֵ֗ן שָׁ֭מַעְתָּ ק֥וֹל תַּחֲנוּנַ֗/י בְּ/שַׁוְּעִ֥/י אֵלֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.

24
אֶֽהֱב֥וּ אֶת יְהוָ֗ה כָּֽל חֲסִ֫ידָ֥י/ו אֱ֭מוּנִים נֹצֵ֣ר יְהוָ֑ה וּ/מְשַׁלֵּ֥ם עַל יֶ֝֗תֶר עֹשֵׂ֥ה גַאֲוָֽה
STATEN

Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.

25
חִ֭זְקוּ וְ/יַאֲמֵ֣ץ לְבַבְ/כֶ֑ם כָּל הַ֝/מְיַחֲלִ֗ים לַ/יהוָֽה
STATEN

Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!