KETUVIM
Psalmen 7
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
שִׁגָּי֗וֹן לְ/דָ֫וִ֥ד אֲשֶׁר שָׁ֥ר לַ/יהוָ֑ה עַל דִּבְרֵי כ֝֗וּשׁ בֶּן יְמִינִֽי־־־־׃
STATEN
Davids Schiggajôn, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י בְּ/ךָ֣ חָסִ֑יתִי הוֹשִׁיעֵ֥/נִי מִ/כָּל רֹ֝דְפַ֗/י וְ/הַצִּילֵֽ/נִי־׃
STATEN
HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.
פֶּן יִטְרֹ֣ף כְּ/אַרְיֵ֣ה נַפְשִׁ֑/י פֹּ֝רֵ֗ק וְ/אֵ֣ין מַצִּֽיל־׃
STATEN
Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י אִם עָשִׂ֣יתִי זֹ֑את אִֽם יֶשׁ עָ֥וֶל בְּ/כַפָּֽ/י־־־׃
STATEN
HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;
אִם גָּ֭מַלְתִּי שֽׁוֹלְמִ֥/י רָ֑ע וָ/אֲחַלְּצָ֖/ה צוֹרְרִ֣/י רֵיקָֽם־׃
STATEN
Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)
יִֽרַדֹּ֥ף אוֹיֵ֨ב נַפְשִׁ֡/י וְ/יַשֵּׂ֗ג וְ/יִרְמֹ֣ס לָ/אָ֣רֶץ חַיָּ֑/י וּ/כְבוֹדִ֓/י לֶ/עָפָ֖ר יַשְׁכֵּ֣ן סֶֽלָה׀׀׃
STATEN
Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
ק֘וּמָ֤/ה יְהוָ֨ה בְּ/אַפֶּ֗/ךָ הִ֭נָּשֵׂא בְּ/עַבְר֣וֹת צוֹרְרָ֑/י וְ/ע֥וּרָ/ה אֵ֝לַ֗/י מִשְׁפָּ֥ט צִוִּֽיתָ׀׃
STATEN
Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
וַ/עֲדַ֣ת לְ֭אֻמִּים תְּסוֹבְבֶ֑/ךָּ וְ֝/עָלֶ֗י/הָ לַ/מָּר֥וֹם שֽׁוּבָ/ה׃
STATEN
Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
יְהוָה֮ יָדִ֪ין עַ֫מִּ֥ים שָׁפְטֵ֥/נִי יְהוָ֑ה כְּ/צִדְקִ֖/י וּ/כְ/תֻמִּ֣/י עָלָֽ/י׃
STATEN
De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.
יִגְמָר נָ֬א רַ֨ע רְשָׁעִים֮ וּ/תְכוֹנֵ֪ן צַ֫דִּ֥יק וּ/בֹחֵ֣ן לִ֭בּ֗וֹת וּ/כְלָי֗וֹת אֱלֹהִ֥ים צַדִּֽיק־׀׃
STATEN
Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
מָֽגִנִּ֥/י עַל אֱלֹהִ֑ים מ֝וֹשִׁ֗יעַ יִשְׁרֵי לֵֽב־־׃
STATEN
Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
אֱ֭לֹהִים שׁוֹפֵ֣ט צַדִּ֑יק וְ֝/אֵ֗ל זֹעֵ֥ם בְּ/כָל יֽוֹם־׃
STATEN
God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.