KETUVIM
Psalmen 55
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֥חַ בִּ/נְגִינֹ֗ת מַשְׂכִּ֥יל לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.
הַאֲזִ֣ינָ/ה אֱ֭לֹהִים תְּפִלָּתִ֑/י וְ/אַל תִּ֝תְעַלַּ֗ם מִ/תְּחִנָּתִֽ/י־׃
STATEN
O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
הַקְשִׁ֣יבָ/ה לִּ֣/י וַ/עֲנֵ֑/נִי אָרִ֖יד בְּ/שִׂיחִ֣/י וְ/אָהִֽימָה׃
STATEN
Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;
מִ/קּ֤וֹל אוֹיֵ֗ב מִ/פְּנֵ֣י עָקַ֣ת רָשָׁ֑ע כִּי יָמִ֥יטוּ עָלַ֥/י אָ֝֗וֶן וּ/בְ/אַ֥ף יִשְׂטְמֽוּ/נִי־׃
STATEN
Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.
לִ֭בִּ/י יָחִ֣יל בְּ/קִרְבִּ֑/י וְ/אֵימ֥וֹת מָ֝֗וֶת נָפְל֥וּ עָלָֽ/י׃
STATEN
Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.
יִרְאָ֣ה וָ֭/רַעַד יָ֣בֹא בִ֑/י וַ֝/תְּכַסֵּ֗/נִי פַּלָּצֽוּת׃
STATEN
Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;
וָ/אֹמַ֗ר מִֽי יִתֶּן לִּ֣/י אֵ֭בֶר כַּ/יּוֹנָ֗ה אָע֥וּפָה וְ/אֶשְׁכֹּֽנָה־־׃
STATEN
Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.
הִ֭נֵּה אַרְחִ֣יק נְדֹ֑ד אָלִ֖ין בַּ/מִּדְבָּ֣ר סֶֽלָה׃
STATEN
Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.
אָחִ֣ישָׁה מִפְלָ֣ט לִ֑/י מֵ/ר֖וּחַ סֹעָ֣ה מִ/סָּֽעַר׃
STATEN
Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.
בַּלַּ֣ע אֲ֭דֹנָ/י פַּלַּ֣ג לְשׁוֹנָ֑/ם כִּֽי רָאִ֨יתִי חָמָ֖ס וְ/רִ֣יב בָּ/עִֽיר־׃
STATEN
Verslind hen, Heere! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.
יוֹמָ֤ם וָ/לַ֗יְלָה יְסוֹבְבֻ֥/הָ עַל חוֹמֹתֶ֑י/הָ וְ/אָ֖וֶן וְ/עָמָ֣ל בְּ/קִרְבָּֽ/הּ־׃
STATEN
Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
הַוּ֥וֹת בְּ/קִרְבָּ֑/הּ וְֽ/לֹא יָמִ֥ישׁ מֵ֝/רְחֹבָ֗/הּ תֹּ֣ךְ וּ/מִרְמָֽה־׃
STATEN
Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.