KETUVIM

Psalmen 55

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ בִּ/נְגִינֹ֗ת מַשְׂכִּ֥יל לְ/דָוִֽד
STATEN

Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.

2
הַאֲזִ֣ינָ/ה אֱ֭לֹהִים תְּפִלָּתִ֑/י וְ/אַל תִּ֝תְעַלַּ֗ם מִ/תְּחִנָּתִֽ/י
STATEN

O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

3
הַקְשִׁ֣יבָ/ה לִּ֣/י וַ/עֲנֵ֑/נִי אָרִ֖יד בְּ/שִׂיחִ֣/י וְ/אָהִֽימָה
STATEN

Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

4
מִ/קּ֤וֹל אוֹיֵ֗ב מִ/פְּנֵ֣י עָקַ֣ת רָשָׁ֑ע כִּי יָמִ֥יטוּ עָלַ֥/י אָ֝֗וֶן וּ/בְ/אַ֥ף יִשְׂטְמֽוּ/נִי
STATEN

Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

5
לִ֭בִּ/י יָחִ֣יל בְּ/קִרְבִּ֑/י וְ/אֵימ֥וֹת מָ֝֗וֶת נָפְל֥וּ עָלָֽ/י
STATEN

Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

6
יִרְאָ֣ה וָ֭/רַעַד יָ֣בֹא בִ֑/י וַ֝/תְּכַסֵּ֗/נִי פַּלָּצֽוּת
STATEN

Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

7
וָ/אֹמַ֗ר מִֽי יִתֶּן לִּ֣/י אֵ֭בֶר כַּ/יּוֹנָ֗ה אָע֥וּפָה וְ/אֶשְׁכֹּֽנָה
STATEN

Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.

8
הִ֭נֵּה אַרְחִ֣יק נְדֹ֑ד אָלִ֖ין בַּ/מִּדְבָּ֣ר סֶֽלָה
STATEN

Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.

9
אָחִ֣ישָׁה מִפְלָ֣ט לִ֑/י מֵ/ר֖וּחַ סֹעָ֣ה מִ/סָּֽעַר
STATEN

Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.

10
בַּלַּ֣ע אֲ֭דֹנָ/י פַּלַּ֣ג לְשׁוֹנָ֑/ם כִּֽי רָאִ֨יתִי חָמָ֖ס וְ/רִ֣יב בָּ/עִֽיר
STATEN

Verslind hen, Heere! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.

11
יוֹמָ֤ם וָ/לַ֗יְלָה יְסוֹבְבֻ֥/הָ עַל חוֹמֹתֶ֑י/הָ וְ/אָ֖וֶן וְ/עָמָ֣ל בְּ/קִרְבָּֽ/הּ
STATEN

Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

12
הַוּ֥וֹת בְּ/קִרְבָּ֑/הּ וְֽ/לֹא יָמִ֥ישׁ מֵ֝/רְחֹבָ֗/הּ תֹּ֣ךְ וּ/מִרְמָֽה
STATEN

Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

13
כִּ֤י לֹֽא אוֹיֵ֥ב יְחָֽרְפֵ֗/נִי וְ/אֶ֫שָּׂ֥א לֹֽא מְ֭שַׂנְאִ/י עָלַ֣/י הִגְדִּ֑יל וְ/אֶסָּתֵ֥ר מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

14
וְ/אַתָּ֣ה אֱנ֣וֹשׁ כְּ/עֶרְכִּ֑/י אַ֝לּוּפִ֗/י וּ/מְיֻדָּֽעִ/י
STATEN

Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!

15
אֲשֶׁ֣ר יַ֭חְדָּו נַמְתִּ֣יק ס֑וֹד בְּ/בֵ֥ית אֱ֝לֹהִ֗ים נְהַלֵּ֥ךְ בְּ/רָֽגֶשׁ
STATEN

Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

16
יַשִּׁ֤י מָ֨וֶת ישימות עָלֵ֗י/מוֹ יֵרְד֣וּ שְׁא֣וֹל חַיִּ֑ים כִּֽי רָע֖וֹת בִּ/מְגוּרָ֣/ם בְּ/קִרְבָּֽ/ם
STATEN

Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.

17
אֲ֭נִי אֶל אֱלֹהִ֣ים אֶקְרָ֑א וַ֝/יהוָ֗ה יוֹשִׁיעֵֽ/נִי
STATEN

Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.

18
עֶ֤רֶב וָ/בֹ֣קֶר וְ֭/צָהֳרַיִם אָשִׂ֣יחָה וְ/אֶהֱמֶ֑ה וַ/יִּשְׁמַ֥ע קוֹלִֽ/י
STATEN

Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.

19
פָּ֘דָ֤ה בְ/שָׁל֣וֹם נַ֭פְשִׁ/י מִ/קֲּרָב לִ֑/י כִּֽי בְ֝/רַבִּ֗ים הָי֥וּ עִמָּדִֽ/י
STATEN

Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigten zijn zij tegen mij geweest.

20
יִשְׁמַ֤ע אֵ֨ל וְֽ/יַעֲנֵ/ם֮ וְ/יֹ֤שֵׁ֥ב קֶ֗דֶם סֶ֥לָה אֲשֶׁ֤ר אֵ֣ין חֲלִיפ֣וֹת לָ֑/מוֹ וְ/לֹ֖א יָרְא֣וּ אֱלֹהִֽים
STATEN

God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.

21
שָׁלַ֣ח יָ֭דָי/ו בִּ/שְׁלֹמָ֗י/ו חִלֵּ֥ל בְּרִיתֽ/וֹ
STATEN

Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met hem hadden; hij ontheiligt zijn verbond.

22
חָלְק֤וּ מַחְמָאֹ֣ת פִּי/ו֮ וּֽ/קֲרָב לִ֫בּ֥/וֹ רַכּ֖וּ דְבָרָ֥י/ו מִ/שֶּׁ֗מֶן וְ/הֵ֣מָּה פְתִחֽוֹת
STATEN

Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.

23
הַשְׁלֵ֤ךְ עַל יְהוָ֨ה יְהָבְ/ךָ֮ וְ/ה֪וּא יְכַ֫לְכְּלֶ֥/ךָ לֹא יִתֵּ֖ן לְ/עוֹלָ֥ם מ֗וֹט לַ/צַּדִּֽיק
STATEN

Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.

24
וְ/אַתָּ֤ה אֱלֹהִ֨ים תּוֹרִדֵ֬/ם לִ/בְאֵ֬ר שַׁ֗חַת אַנְשֵׁ֤י דָמִ֣ים וּ֭/מִרְמָה לֹא יֶחֱצ֣וּ יְמֵי/הֶ֑ם וַ֝/אֲנִ֗י אֶבְטַח בָּֽ/ךְ
STATEN

Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.