KETUVIM

Psalmen 105

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
הוֹד֣וּ לַ֭/יהוָה קִרְא֣וּ בִּ/שְׁמ֑/וֹ הוֹדִ֥יעוּ בָ֝/עַמִּ֗ים עֲלִילוֹתָֽי/ו
STATEN

Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.

2
שִֽׁירוּ ל֭/וֹ זַמְּרוּ ל֑/וֹ שִׂ֝֗יחוּ בְּ/כָל נִפְלְאוֹתָֽי/ו
STATEN

Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.

3
הִֽ֭תְהַלְלוּ בְּ/שֵׁ֣ם קָדְשׁ֑/וֹ יִ֝שְׂמַ֗ח לֵ֤ב מְבַקְשֵׁ֬י יְהוָֽה
STATEN

Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.

4
דִּרְשׁ֣וּ יְהוָ֣ה וְ/עֻזּ֑/וֹ בַּקְּשׁ֖וּ פָנָ֣י/ו תָּמִֽיד
STATEN

Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.

5
זִכְר֗וּ נִפְלְאוֹתָ֥י/ו אֲשֶׁר עָשָׂ֑ה מֹ֝פְתָ֗י/ו וּ/מִשְׁפְּטֵי פִֽי/ו
STATEN

Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.

6
זֶ֭רַע אַבְרָהָ֣ם עַבְדּ֑/וֹ בְּנֵ֖י יַעֲקֹ֣ב בְּחִירָֽי/ו
STATEN

Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!

7
ה֭וּא יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֑י/נוּ בְּ/כָל הָ֝/אָ֗רֶץ מִשְׁפָּטָֽי/ו
STATEN

Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.

8
זָכַ֣ר לְ/עוֹלָ֣ם בְּרִית֑/וֹ דָּבָ֥ר צִ֝וָּ֗ה לְ/אֶ֣לֶף דּֽוֹר
STATEN

Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;

9
אֲשֶׁ֣ר כָּ֭רַת אֶת אַבְרָהָ֑ם וּ/שְׁב֖וּעָת֣/וֹ לְ/יִשְׂחָֽק
STATEN

Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;

10
וַ/יַּֽעֲמִידֶ֣/הָ לְ/יַעֲקֹ֣ב לְ/חֹ֑ק לְ֝/יִשְׂרָאֵ֗ל בְּרִ֣ית עוֹלָֽם
STATEN

Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond,

11
לֵ/אמֹ֗ר לְ/ךָ֗ אֶתֵּ֥ן אֶת אֶֽרֶץ כְּנָ֑עַן חֶ֝֗בֶל נַחֲלַתְ/כֶֽם
STATEN

Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van ulieder erfdeel.

12
בִּֽ֭/הְיוֹתָ/ם מְתֵ֣י מִסְפָּ֑ר כִּ֝/מְעַ֗ט וְ/גָרִ֥ים בָּֽ/הּ
STATEN

Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;

13
וַֽ֭/יִּתְהַלְּכוּ מִ/גּ֣וֹי אֶל גּ֑וֹי מִ֝/מַּמְלָכָ֗ה אֶל עַ֥ם אַחֵֽר
STATEN

En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;

14
לֹֽא הִנִּ֣יחַ אָדָ֣ם לְ/עָשְׁקָ֑/ם וַ/יּ֖וֹכַח עֲלֵי/הֶ֣ם מְלָכִֽים
STATEN

Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:

15
אַֽל תִּגְּע֥וּ בִ/מְשִׁיחָ֑/י וְ֝/לִ/נְבִיאַ/י אַל תָּרֵֽעוּ
STATEN

Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.

16
וַ/יִּקְרָ֣א רָ֭עָב עַל הָ/אָ֑רֶץ כָּֽל מַטֵּה לֶ֥חֶם שָׁבָֽר
STATEN

Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.

17
שָׁלַ֣ח לִ/פְנֵי/הֶ֣ם אִ֑ישׁ לְ֝/עֶ֗בֶד נִמְכַּ֥ר יוֹסֵֽף
STATEN

Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

18
עִנּ֣וּ בַ/כֶּ֣בֶל רגלי/ו בַּ֝רְזֶ֗ל בָּ֣אָה נַפְשֽׁ/וֹ רַגְל֑/וֹ
STATEN

Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.

19
עַד עֵ֥ת בֹּֽא דְבָר֑/וֹ אִמְרַ֖ת יְהוָ֣ה צְרָפָֽתְ/הוּ
STATEN

Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.

20
שָׁ֣לַח מֶ֭לֶךְ וַ/יַּתִּירֵ֑/הוּ מֹשֵׁ֥ל עַ֝מִּ֗ים וַֽ/יְפַתְּחֵֽ/הוּ
STATEN

De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.

21
שָׂמ֣/וֹ אָד֣וֹן לְ/בֵית֑/וֹ וּ֝/מֹשֵׁ֗ל בְּ/כָל קִנְיָנֽ/וֹ
STATEN

Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;

22
לֶ/אְסֹ֣ר שָׂרָ֣י/ו בְּ/נַפְשׁ֑/וֹ וּ/זְקֵנָ֥י/ו יְחַכֵּֽם
STATEN

Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.

23
וַ/יָּבֹ֣א יִשְׂרָאֵ֣ל מִצְרָ֑יִם וְ֝/יַעֲקֹ֗ב גָּ֣ר בְּ/אֶֽרֶץ חָֽם
STATEN

Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

24
וַ/יֶּ֣פֶר אֶת עַמּ֣/וֹ מְאֹ֑ד וַ֝/יַּֽעֲצִמֵ/הוּ מִ/צָּרָֽי/ו
STATEN

En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.

25
הָפַ֣ךְ לִ֭בָּ/ם לִ/שְׂנֹ֣א עַמּ֑/וֹ לְ֝/הִתְנַכֵּ֗ל בַּ/עֲבָדָֽי/ו
STATEN

Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.

26
שָׁ֭לַח מֹשֶׁ֣ה עַבְדּ֑/וֹ אַ֝הֲרֹ֗ן אֲשֶׁ֣ר בָּֽחַר בּֽ/וֹ
STATEN

Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, dien Hij verkoren had.

27
שָֽׂמוּ בָ֭/ם דִּבְרֵ֣י אֹתוֹתָ֑י/ו וּ֝/מֹפְתִ֗ים בְּ/אֶ֣רֶץ חָֽם
STATEN

Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.

28
שָׁ֣לַֽח חֹ֭שֶׁךְ וַ/יַּחְשִׁ֑ךְ וְ/לֹֽא מָ֝ר֗וּ אֶת דברו/ו דְּבָרֽ/וֹ
STATEN

Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.

29
הָפַ֣ךְ אֶת מֵימֵי/הֶ֣ם לְ/דָ֑ם וַ֝/יָּ֗מֶת אֶת דְּגָתָֽ/ם
STATEN

Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.

30
שָׁרַ֣ץ אַרְצָ֣/ם צְפַרְדְּעִ֑ים בְּ֝/חַדְרֵ֗י מַלְכֵי/הֶֽם
STATEN

Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.

31
אָ֭מַר וַ/יָּבֹ֣א עָרֹ֑ב כִּ֝נִּ֗ים בְּ/כָל גְּבוּלָֽ/ם
STATEN

Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.

32
נָתַ֣ן גִּשְׁמֵי/הֶ֣ם בָּרָ֑ד אֵ֖שׁ לֶהָב֣וֹת בְּ/אַרְצָֽ/ם
STATEN

Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

33
וַ/יַּ֣ךְ גַּ֭פְנָ/ם וּ/תְאֵנָתָ֑/ם וַ֝/יְשַׁבֵּ֗ר עֵ֣ץ גְּבוּלָֽ/ם
STATEN

En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.

34
אָ֭מַר וַ/יָּבֹ֣א אַרְבֶּ֑ה וְ֝/יֶ֗לֶק וְ/אֵ֣ין מִסְפָּֽר
STATEN

Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;

35
וַ/יֹּ֣אכַל כָּל עֵ֣שֶׂב בְּ/אַרְצָ֑/ם וַ֝/יֹּ֗אכַל פְּרִ֣י אַדְמָתָֽ/ם
STATEN

Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landouwe op.

36
וַ/יַּ֣ךְ כָּל בְּכ֣וֹר בְּ/אַרְצָ֑/ם רֵ֝אשִׁ֗ית לְ/כָל אוֹנָֽ/ם
STATEN

Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.

37
וַֽ֭/יּוֹצִיאֵ/ם בְּ/כֶ֣סֶף וְ/זָהָ֑ב וְ/אֵ֖ין בִּ/שְׁבָטָ֣י/ו כּוֹשֵֽׁל
STATEN

En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.

38
שָׂמַ֣ח מִצְרַ֣יִם בְּ/צֵאתָ֑/ם כִּֽי נָפַ֖ל פַּחְדָּ֣/ם עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.

39
פָּרַ֣שׂ עָנָ֣ן לְ/מָסָ֑ךְ וְ֝/אֵ֗שׁ לְ/הָאִ֥יר לָֽיְלָה
STATEN

Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

40
שָׁאַ֣ל וַ/יָּבֵ֣א שְׂלָ֑ו וְ/לֶ֥חֶם שָׁ֝מַ֗יִם יַשְׂבִּיעֵֽ/ם
STATEN

Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

41
פָּ֣תַח צ֭וּר וַ/יָּז֣וּבוּ מָ֑יִם הָ֝לְכ֗וּ בַּ/צִּיּ֥וֹת נָהָֽר
STATEN

Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.

42
כִּֽי זָ֭כַר אֶת דְּבַ֣ר קָדְשׁ֑/וֹ אֶֽת אַבְרָהָ֥ם עַבְדּֽ/וֹ
STATEN

Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.

43
וַ/יּוֹצִ֣א עַמּ֣/וֹ בְ/שָׂשׂ֑וֹן בְּ֝/רִנָּ֗ה אֶת בְּחִירָֽי/ו
STATEN

Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.

44
וַ/יִּתֵּ֣ן לָ֭/הֶם אַרְצ֣וֹת גּוֹיִ֑ם וַ/עֲמַ֖ל לְאֻמִּ֣ים יִירָֽשׁוּ
STATEN

En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;

45
בַּ/עֲב֤וּר יִשְׁמְר֣וּ חֻ֭קָּי/ו וְ/תוֹרֹתָ֥י/ו יִנְצֹ֗רוּ הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!