KETUVIM

Psalmen 106

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
הַֽלְלוּ יָ֨הּ הוֹד֣וּ לַ/יהוָ֣ה כִּי ט֑וֹב כִּ֖י לְ/עוֹלָ֣ם חַסְדּֽ/וֹ
STATEN

Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

2
מִ֗י יְ֭מַלֵּל גְּבוּר֣וֹת יְהוָ֑ה יַ֝שְׁמִ֗יעַ כָּל תְּהִלָּתֽ/וֹ
STATEN

Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?

3
אַ֭שְׁרֵי שֹׁמְרֵ֣י מִשְׁפָּ֑ט עֹשֵׂ֖ה צְדָקָ֣ה בְ/כָל עֵֽת
STATEN

Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.

4
זָכְרֵ֣/נִי יְ֭הוָה בִּ/רְצ֣וֹן עַמֶּ֑/ךָ פָּ֝קְדֵ֗/נִי בִּ/ישׁוּעָתֶֽ/ךָ
STATEN

Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;

5
לִ/רְא֤וֹת בְּ/ט֘וֹבַ֤ת בְּחִירֶ֗י/ךָ לִ֭/שְׂמֹחַ בְּ/שִׂמְחַ֣ת גּוֹיֶ֑/ךָ לְ֝/הִתְהַלֵּ֗ל עִם נַחֲלָתֶֽ/ךָ
STATEN

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

6
חָטָ֥אנוּ עִם אֲבוֹתֵ֗י/נוּ הֶעֱוִ֥ינוּ הִרְשָֽׁעְנוּ
STATEN

Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.

7
אֲב֘וֹתֵ֤י/נוּ בְ/מִצְרַ֨יִם לֹא הִשְׂכִּ֬ילוּ נִפְלְאוֹתֶ֗י/ךָ לֹ֣א זָ֭כְרוּ אֶת רֹ֣ב חֲסָדֶ֑י/ךָ וַ/יַּמְר֖וּ עַל יָ֣ם בְּ/יַם סֽוּף
STATEN

Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

8
וַֽ֭/יּוֹשִׁיעֵ/ם לְמַ֣עַן שְׁמ֑/וֹ לְ֝/הוֹדִ֗יעַ אֶת גְּבוּרָתֽ/וֹ
STATEN

Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.

9
וַ/יִּגְעַ֣ר בְּ/יַם ס֭וּף וַֽ/יֶּחֱרָ֑ב וַ/יּוֹלִיכֵ֥/ם בַּ֝/תְּהֹמ֗וֹת כַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.

10
וַֽ֭/יּוֹשִׁיעֵ/ם מִ/יַּ֣ד שׂוֹנֵ֑א וַ֝/יִּגְאָלֵ֗/ם מִ/יַּ֥ד אוֹיֵֽב
STATEN

En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.

11
וַ/יְכַסּוּ מַ֥יִם צָרֵי/הֶ֑ם אֶחָ֥ד מֵ֝/הֶ֗ם לֹ֣א נוֹתָֽר
STATEN

En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.

12
וַ/יַּאֲמִ֥ינוּ בִ/דְבָרָ֑י/ו יָ֝שִׁ֗ירוּ תְּהִלָּתֽ/וֹ
STATEN

Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.

13
מִֽ֭הֲרוּ שָׁכְח֣וּ מַעֲשָׂ֑י/ו לֹֽא חִ֝כּ֗וּ לַ/עֲצָתֽ/וֹ
STATEN

Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.

14
וַ/יִּתְאַוּ֣וּ תַ֭אֲוָה בַּ/מִּדְבָּ֑ר וַ/יְנַסּוּ אֵ֝֗ל בִּֽ/ישִׁימֽוֹן
STATEN

Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.

15
וַ/יִּתֵּ֣ן לָ֭/הֶם שֶׁאֱלָתָ֑/ם וַ/יְשַׁלַּ֖ח רָז֣וֹן בְּ/נַפְשָֽׁ/ם
STATEN

Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

16
וַ/יְקַנְא֣וּ לְ֭/מֹשֶׁה בַּֽ/מַּחֲנֶ֑ה לְ֝/אַהֲרֹ֗ן קְד֣וֹשׁ יְהוָֽה
STATEN

En zij benijdden Mozes in het leger, en Aäron, den heilige des HEEREN.

17
תִּפְתַּח אֶ֭רֶץ וַ/תִּבְלַ֣ע דָּתָ֑ן וַ֝/תְּכַ֗ס עַל עֲדַ֥ת אֲבִירָֽם
STATEN

De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abíram.

18
וַ/תִּבְעַר אֵ֥שׁ בַּ/עֲדָתָ֑/ם לֶ֝הָבָ֗ה תְּלַהֵ֥ט רְשָׁעִֽים
STATEN

En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.

19
יַעֲשׂוּ עֵ֥גֶל בְּ/חֹרֵ֑ב וַ֝/יִּשְׁתַּחֲו֗וּ לְ/מַסֵּכָֽה
STATEN

Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.

20
וַ/יָּמִ֥ירוּ אֶת כְּבוֹדָ֑/ם בְּ/תַבְנִ֥ית שׁ֝֗וֹר אֹכֵ֥ל עֵֽשֶׂב
STATEN

En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.

21
שָׁ֭כְחוּ אֵ֣ל מוֹשִׁיעָ֑/ם עֹשֶׂ֖ה גְדֹל֣וֹת בְּ/מִצְרָֽיִם
STATEN

Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;

22
נִ֭פְלָאוֹת בְּ/אֶ֣רֶץ חָ֑ם נ֝וֹרָא֗וֹת עַל יַם סֽוּף
STATEN

Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.

23
וַ/יֹּ֗אמֶר לְֽ/הַשְׁמִ֫ידָ֥/ם לוּלֵ֡י מֹ֘שֶׁ֤ה בְחִיר֗/וֹ עָמַ֣ד בַּ/פֶּ֣רֶץ לְ/פָנָ֑י/ו לְ/הָשִׁ֥יב חֲ֝מָת֗/וֹ מֵֽ/הַשְׁחִֽית
STATEN

Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.

24
וַֽ֭/יִּמְאֲסוּ בְּ/אֶ֣רֶץ חֶמְדָּ֑ה לֹֽא הֶ֝אֱמִ֗ינוּ לִ/דְבָרֽ/וֹ
STATEN

Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

25
וַ/יֵּרָגְנ֥וּ בְ/אָהֳלֵי/הֶ֑ם לֹ֥א שָׁ֝מְע֗וּ בְּ/ק֣וֹל יְהוָֽה
STATEN

Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.

26
וַ/יִּשָּׂ֣א יָד֣/וֹ לָ/הֶ֑ם לְ/הַפִּ֥יל א֝וֹתָ֗/ם בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

27
וּ/לְ/הַפִּ֣יל זַ֭רְעָ/ם בַּ/גּוֹיִ֑ם וּ֝/לְ/זָרוֹתָ֗/ם בָּ/אֲרָצֽוֹת
STATEN

En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

28
וַ֭/יִּצָּ֣מְדוּ לְ/בַ֣עַל פְּע֑וֹר וַ֝/יֹּאכְל֗וּ זִבְחֵ֥י מֵתִֽים
STATEN

Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.

29
וַ֭/יַּכְעִיסוּ בְּ/מַֽעַלְלֵי/הֶ֑ם וַ/תִּפְרָץ בָּ֝֗/ם מַגֵּפָֽה
STATEN

En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

30
וַ/יַּעֲמֹ֣ד פִּֽ֭ינְחָס וַ/יְפַלֵּ֑ל וַ֝/תֵּעָצַ֗ר הַ/מַּגֵּפָֽה
STATEN

Toen stond Pínehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.

31
וַ/תֵּחָ֣שֶׁב ל֭/וֹ לִ/צְדָקָ֑ה לְ/דֹ֥ר וָ֝/דֹ֗ר עַד עוֹלָֽם
STATEN

En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.

32
וַ֭/יַּקְצִיפוּ עַל מֵ֥י מְרִיבָ֑ה וַ/יֵּ֥רַע לְ֝/מֹשֶׁ֗ה בַּ/עֲבוּרָֽ/ם
STATEN

Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.

33
כִּֽי הִמְר֥וּ אֶת רוּח֑/וֹ וַ֝/יְבַטֵּ֗א בִּ/שְׂפָתָֽי/ו
STATEN

Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

34
לֹֽא הִ֭שְׁמִידוּ אֶת הָֽ/עַמִּ֑ים אֲשֶׁ֤ר אָמַ֖ר יְהוָ֣ה לָ/הֶֽם
STATEN

Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;

35
וַ/יִּתְעָרְב֥וּ בַ/גּוֹיִ֑ם וַֽ֝/יִּלְמְד֗וּ מַֽעֲשֵׂי/הֶֽם
STATEN

Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.

36
וַ/יַּעַבְד֥וּ אֶת עֲצַבֵּי/הֶ֑ם וַ/יִּהְי֖וּ לָ/הֶ֣ם לְ/מוֹקֵֽשׁ
STATEN

En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

37
וַ/יִּזְבְּח֣וּ אֶת בְּ֭נֵי/הֶם וְ/אֶת בְּנֽוֹתֵי/הֶ֗ם לַ/שֵּֽׁדִים
STATEN

Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.

38
וַ/יִּֽשְׁפְּכ֨וּ דָ֪ם נָקִ֡י דַּם בְּנֵ֘י/הֶ֤ם וּֽ/בְנוֹתֵי/הֶ֗ם אֲשֶׁ֣ר זִ֭בְּחוּ לַ/עֲצַבֵּ֣י כְנָ֑עַן וַ/תֶּחֱנַ֥ף הָ֝/אָ֗רֶץ בַּ/דָּמִֽים
STATEN

En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

39
וַ/יִּטְמְא֥וּ בְ/מַעֲשֵׂי/הֶ֑ם וַ֝/יִּזְנוּ֗ בְּ/מַֽעַלְלֵי/הֶֽם
STATEN

En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

40
וַ/יִּֽחַר אַ֣ף יְהוָ֣ה בְּ/עַמּ֑/וֹ וַ֝/יְתָעֵ֗ב אֶת נַחֲלָתֽ/וֹ
STATEN

Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.

41
וַ/יִּתְּנֵ֥/ם בְּ/יַד גּוֹיִ֑ם וַֽ/יִּמְשְׁל֥וּ בָ֝/הֶ֗ם שֹׂנְאֵי/הֶֽם
STATEN

En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

42
וַ/יִּלְחָצ֥וּ/ם אוֹיְבֵי/הֶ֑ם וַ֝/יִּכָּנְע֗וּ תַּ֣חַת יָדָֽ/ם
STATEN

En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.

43
פְּעָמִ֥ים רַבּ֗וֹת יַצִּ֫ילֵ֥/ם וְ֭/הֵמָּה יַמְר֣וּ בַ/עֲצָתָ֑/ם וַ֝/יָּמֹ֗כּוּ בַּ/עֲוֺנָֽ/ם
STATEN

Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

44
וַ֭/יַּרְא בַּ/צַּ֣ר לָ/הֶ֑ם בְּ֝/שָׁמְע֗/וֹ אֶת רִנָּתָֽ/ם
STATEN

Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

45
וַ/יִּזְכֹּ֣ר לָ/הֶ֣ם בְּרִית֑/וֹ וַ֝/יִּנָּחֵ֗ם כְּ/רֹ֣ב חסד/ו חֲסָדָֽי/ו
STATEN

En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.

46
וַ/יִּתֵּ֣ן אוֹתָ֣/ם לְ/רַחֲמִ֑ים לִ֝/פְנֵ֗י כָּל שׁוֹבֵי/הֶֽם
STATEN

Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.

47
הוֹשִׁיעֵ֨/נוּ יְה֘וָ֤ה אֱלֹהֵ֗י/נוּ וְ/קַבְּצֵ/נוּ֮ מִֽן הַ/גּ֫וֹיִ֥ם לְ֭/הֹדוֹת לְ/שֵׁ֣ם קָדְשֶׁ֑/ךָ לְ֝/הִשְׁתַּבֵּ֗חַ בִּ/תְהִלָּתֶֽ/ךָ
STATEN

Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.

48
בָּר֤וּךְ יְהוָ֨ה אֱלֹהֵ֪י יִשְׂרָאֵ֡ל מִן הָ֤/עוֹלָ֨ם וְ/עַ֬ד הָ/עוֹלָ֗ם וְ/אָמַ֖ר כָּל הָ/עָ֥ם אָמֵ֗ן הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!