KETUVIM
Psalmen 21
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
יָּ֥גֶל יְֽהוָ֗ה בְּ/עָזְּ/ךָ֥ יִשְׂמַח מֶ֑לֶךְ וּ֝/בִ/ישׁ֥וּעָתְ/ךָ֗ מַה יגיל מְאֹֽד־־׃
STATEN
O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
תַּאֲוַ֣ת לִ֭בּ/וֹ נָתַ֣תָּה לּ֑/וֹ וַ/אֲרֶ֥שֶׁת שְׂ֝פָתָ֗י/ו בַּל מָנַ֥עְתָּ סֶּֽלָה־׃
STATEN
Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.
כִּֽי תְ֭קַדְּמֶ/נּוּ בִּרְכ֣וֹת ט֑וֹב תָּשִׁ֥ית לְ֝/רֹאשׁ֗/וֹ עֲטֶ֣רֶת פָּֽז־׃
STATEN
Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.
חַיִּ֤ים שָׁאַ֣ל מִ֭מְּ/ךָ נָתַ֣תָּה לּ֑/וֹ אֹ֥רֶךְ יָ֝מִ֗ים עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד׀׃
STATEN
Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.
גָּד֣וֹל כְּ֭בוֹד/וֹ בִּ/ישׁוּעָתֶ֑/ךָ ה֥וֹד וְ֝/הָדָר תְּשַׁוֶּ֥ה עָלָֽי/ו׃
STATEN
Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.
כִּֽי תְשִׁיתֵ֣/הוּ בְרָכ֣וֹת לָ/עַ֑ד תְּחַדֵּ֥/הוּ בְ֝/שִׂמְחָ֗ה אֶת פָּנֶֽי/ךָ־־׃
STATEN
Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.
כִּֽי הַ֭/מֶּלֶךְ בֹּטֵ֣חַ בַּ/יהוָ֑ה וּ/בְ/חֶ֥סֶד עֶ֝לְי֗וֹן בַּל יִמּֽוֹט־־׃
STATEN
Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.
תִּמְצָ֣א יָ֭דְ/ךָ לְ/כָל אֹיְבֶ֑י/ךָ יְ֝מִֽינְ/ךָ תִּמְצָ֥א שֹׂנְאֶֽי/ךָ־׃
STATEN
Uw hand zal al Uw vijanden vinden; Uw rechterhand zal Uw haters vinden.
תְּשִׁיתֵ֤/מוֹ כְּ/תַנּ֥וּר אֵשׁ֮ לְ/עֵ֪ת פָּ֫נֶ֥י/ךָ יְ֭הוָה בְּ/אַפּ֣/וֹ יְבַלְּעֵ֑/ם וְֽ/תֹאכְלֵ֥/ם אֵֽשׁ׀׃
STATEN
Gij zult hen zetten als een vurigen oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
פִּ֭רְיָ/מוֹ מֵ/אֶ֣רֶץ תְּאַבֵּ֑ד וְ֝/זַרְעָ֗/ם מִ/בְּנֵ֥י אָדָֽם׃
STATEN
Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.
כִּי נָט֣וּ עָלֶ֣י/ךָ רָעָ֑ה חָֽשְׁב֥וּ מְ֝זִמָּ֗ה בַּל יוּכָֽלוּ־־׃
STATEN
Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.