Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 21

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד׃
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2
יָּ֥גֶל יְֽהוָ֗ה בְּ/עָזְּ/ךָ֥ יִשְׂמַח מֶ֑לֶךְ וּ֝/בִ/ישׁ֥וּעָתְ/ךָ֗ מַה יגיל מְאֹֽד־־׃
STATEN

O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!

3
תַּאֲוַ֣ת לִ֭בּ/וֹ נָתַ֣תָּה לּ֑/וֹ וַ/אֲרֶ֥שֶׁת שְׂ֝פָתָ֗י/ו בַּל מָנַ֥עְתָּ סֶּֽלָה־׃
STATEN

Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.

4
כִּֽי תְ֭קַדְּמֶ/נּוּ בִּרְכ֣וֹת ט֑וֹב תָּשִׁ֥ית לְ֝/רֹאשׁ֗/וֹ עֲטֶ֣רֶת פָּֽז־׃
STATEN

Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.

5
חַיִּ֤ים שָׁאַ֣ל מִ֭מְּ/ךָ נָתַ֣תָּה לּ֑/וֹ אֹ֥רֶךְ יָ֝מִ֗ים עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד׀׃
STATEN

Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

6
גָּד֣וֹל כְּ֭בוֹד/וֹ בִּ/ישׁוּעָתֶ֑/ךָ ה֥וֹד וְ֝/הָדָר תְּשַׁוֶּ֥ה עָלָֽי/ו׃
STATEN

Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.

7
כִּֽי תְשִׁיתֵ֣/הוּ בְרָכ֣וֹת לָ/עַ֑ד תְּחַדֵּ֥/הוּ בְ֝/שִׂמְחָ֗ה אֶת פָּנֶֽי/ךָ־־׃
STATEN

Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.

8
כִּֽי הַ֭/מֶּלֶךְ בֹּטֵ֣חַ בַּ/יהוָ֑ה וּ/בְ/חֶ֥סֶד עֶ֝לְי֗וֹן בַּל יִמּֽוֹט־־׃
STATEN

Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.

9
תִּמְצָ֣א יָ֭דְ/ךָ לְ/כָל אֹיְבֶ֑י/ךָ יְ֝מִֽינְ/ךָ תִּמְצָ֥א שֹׂנְאֶֽי/ךָ־׃
STATEN

Uw hand zal al Uw vijanden vinden; Uw rechterhand zal Uw haters vinden.

10
תְּשִׁיתֵ֤/מוֹ כְּ/תַנּ֥וּר אֵשׁ֮ לְ/עֵ֪ת פָּ֫נֶ֥י/ךָ יְ֭הוָה בְּ/אַפּ֣/וֹ יְבַלְּעֵ֑/ם וְֽ/תֹאכְלֵ֥/ם אֵֽשׁ׀׃
STATEN

Gij zult hen zetten als een vurigen oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.

11
פִּ֭רְיָ/מוֹ מֵ/אֶ֣רֶץ תְּאַבֵּ֑ד וְ֝/זַרְעָ֗/ם מִ/בְּנֵ֥י אָדָֽם׃
STATEN

Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.

12
כִּי נָט֣וּ עָלֶ֣י/ךָ רָעָ֑ה חָֽשְׁב֥וּ מְ֝זִמָּ֗ה בַּל יוּכָֽלוּ־־׃
STATEN

Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 21

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 21 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →