KETUVIM

Psalmen 57

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֣חַ אַל תַּ֭שְׁחֵת לְ/דָוִ֣ד מִכְתָּ֑ם בְּ/בָרְח֥/וֹ מִ/פְּנֵי שָׁ֝א֗וּל בַּ/מְּעָרָֽה
STATEN

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

2
חָנֵּ֤/נִי אֱלֹהִ֨ים חָנֵּ֗/נִי כִּ֥י בְ/ךָ֮ חָסָ֪יָה נַ֫פְשִׁ֥/י וּ/בְ/צֵֽל כְּנָפֶ֥י/ךָ אֶחְסֶ֑ה עַ֝֗ד יַעֲבֹ֥ר הַוּֽוֹת
STATEN

Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

3
אֶ֭קְרָא לֵֽ/אלֹהִ֣ים עֶלְי֑וֹן לָ֝/אֵ֗ל גֹּמֵ֥ר עָלָֽ/י
STATEN

Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.

4
יִשְׁלַ֤ח מִ/שָּׁמַ֨יִם וְֽ/יוֹשִׁיעֵ֗/נִי חֵרֵ֣ף שֹׁאֲפִ֣/י סֶ֑לָה יִשְׁלַ֥ח אֱ֝לֹהִ֗ים חַסְדּ֥/וֹ וַ/אֲמִתּֽ/וֹ
STATEN

Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.

5
נַפְשִׁ֤/י בְּ/ת֥וֹךְ לְבָאִם֮ אֶשְׁכְּבָ֪ה לֹ֫הֲטִ֥ים בְּֽנֵי אָדָ֗ם שִׁ֭נֵּי/הֶם חֲנִ֣ית וְ/חִצִּ֑ים וּ֝/לְשׁוֹנָ֗/ם חֶ֣רֶב חַדָּֽה
STATEN

Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.

6
ר֣וּמָ/ה עַל הַ/שָּׁמַ֣יִם אֱלֹהִ֑ים עַ֖ל כָּל הָ/אָ֣רֶץ כְּבוֹדֶֽ/ךָ
STATEN

Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

7
רֶ֤שֶׁת הֵכִ֣ינוּ לִ/פְעָמַ/י֮ כָּפַ֪ף נַ֫פְשִׁ֥/י כָּר֣וּ לְ/פָנַ֣/י שִׁיחָ֑ה נָפְל֖וּ בְ/תוֹכָ֣/הּ סֶֽלָה
STATEN

Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.

8
נָ֘כ֤וֹן לִבִּ֣/י אֱ֭לֹהִים נָכ֣וֹן לִבִּ֑/י אָ֝שִׁ֗ירָה וַ/אֲזַמֵּֽרָה
STATEN

Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.

9
ע֤וּרָ/ה כְבוֹדִ֗/י ע֭וּרָֽ/ה הַ/נֵּ֥בֶל וְ/כִנּ֗וֹר אָעִ֥ירָה שָּֽׁחַר
STATEN

Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.

10
אוֹדְ/ךָ֖ בָ/עַמִּ֥ים אֲדֹנָ֑/י אֲ֝זַמֶּרְ/ךָ֗ בַּל אֻמִּֽים
STATEN

Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën.

11
כִּֽי גָדֹ֣ל עַד שָׁמַ֣יִם חַסְדֶּ֑/ךָ וְֽ/עַד שְׁחָקִ֥ים אֲמִתֶּֽ/ךָ
STATEN

Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.

12
ר֣וּמָ/ה עַל שָׁמַ֣יִם אֱלֹהִ֑ים עַ֖ל כָּל הָ/אָ֣רֶץ כְּבוֹדֶֽ/ךָ
STATEN

Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.