KETUVIM

Psalmen 122

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁ֥יר הַֽ/מַּעֲל֗וֹת לְ/דָ֫וִ֥ד שָׂ֭מַחְתִּי בְּ/אֹמְרִ֣ים לִ֑/י בֵּ֖ית יְהוָ֣ה נֵלֵֽךְ
STATEN

Een lied Hammaälôth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.

2
עֹ֭מְדוֹת הָי֣וּ רַגְלֵ֑י/נוּ בִּ֝/שְׁעָרַ֗יִ/ךְ יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!

3
יְרוּשָׁלִַ֥ם הַ/בְּנוּיָ֑ה כְּ֝/עִ֗יר שֶׁ/חֻבְּרָה לָּ֥/הּ יַחְדָּֽו
STATEN

Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;

4
שֶׁ/שָּׁ֨ם עָל֪וּ שְׁבָטִ֡ים שִׁבְטֵי יָ֭הּ עֵד֣וּת לְ/יִשְׂרָאֵ֑ל לְ֝/הֹד֗וֹת לְ/שֵׁ֣ם יְהוָֽה
STATEN

Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israëls, om den Naam des HEEREN te danken.

5
כִּ֤י שָׁ֨מָּ/ה יָשְׁב֣וּ כִסְא֣וֹת לְ/מִשְׁפָּ֑ט כִּ֝סְא֗וֹת לְ/בֵ֣ית דָּוִֽיד
STATEN

Want dáár zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.

6
שַׁ֭אֲלוּ שְׁל֣וֹם יְרוּשָׁלִָ֑ם יִ֝שְׁלָ֗יוּ אֹהֲבָֽיִ/ךְ
STATEN

Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.

7
יְהִֽי שָׁל֥וֹם בְּ/חֵילֵ֑/ךְ שַׁ֝לְוָ֗ה בְּ/אַרְמְנוֹתָֽיִ/ךְ
STATEN

Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.

8
לְ֭מַעַן אַחַ֣/י וְ/רֵעָ֑/י אֲדַבְּרָה נָּ֖א שָׁל֣וֹם בָּֽ/ךְ
STATEN

Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!

9
לְ֭מַעַן בֵּית יְהוָ֣ה אֱלֹהֵ֑י/נוּ אֲבַקְשָׁ֖ה ט֣וֹב לָֽ/ךְ
STATEN

Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.