KETUVIM

Psalmen 77

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ עַֽל ידיתון לְ/אָסָ֥ף מִזְמֽוֹר יְדוּת֗וּן
STATEN

Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.

2
קוֹלִ֣/י אֶל אֱלֹהִ֣ים וְ/אֶצְעָ֑קָה קוֹלִ֥/י אֶל אֱ֝לֹהִ֗ים וְ/הַאֲזִ֥ין אֵלָֽ/י
STATEN

Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.

3
בְּ/י֥וֹם צָרָתִ/י֮ אֲדֹנָ֪/י דָּ֫רָ֥שְׁתִּי יָדִ֤/י לַ֣יְלָה נִ֭גְּרָה וְ/לֹ֣א תָפ֑וּג מֵאֲנָ֖ה הִנָּחֵ֣ם נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

4
אֶזְכְּרָ֣ה אֱלֹהִ֣ים וְ/אֶֽהֱמָיָ֑ה אָשִׂ֓יחָה וְ/תִתְעַטֵּ֖ף רוּחִ֣/י סֶֽלָה
STATEN

Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

5
אָ֭חַזְתָּ שְׁמֻר֣וֹת עֵינָ֑/י נִ֝פְעַ֗מְתִּי וְ/לֹ֣א אֲדַבֵּֽר
STATEN

Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.

6
חִשַּׁ֣בְתִּי יָמִ֣ים מִ/קֶּ֑דֶם שְׁ֝נ֗וֹת עוֹלָמִֽים
STATEN

Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

7
אֶֽזְכְּרָ֥ה נְגִינָתִ֗/י בַּ֫/לָּ֥יְלָה עִם לְבָבִ֥/י אָשִׂ֑יחָה וַ/יְחַפֵּ֥שׂ רוּחִֽ/י
STATEN

Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:

8
הַֽ֭/לְ/עוֹלָמִים יִזְנַ֥ח אֲדֹנָ֑/י וְ/לֹֽא יֹסִ֖יף לִ/רְצ֣וֹת עֽוֹד
STATEN

Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?

9
הֶ/אָפֵ֣ס לָ/נֶ֣צַח חַסְדּ֑/וֹ גָּ֥מַר אֹ֝֗מֶר לְ/דֹ֣ר וָ/דֹֽר
STATEN

Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

10
הֲ/שָׁכַ֣ח חַנּ֣וֹת אֵ֑ל אִם קָפַ֥ץ בְּ֝/אַ֗ף רַחֲמָ֥י/ו סֶֽלָה
STATEN

Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.

11
וָ֭/אֹמַר חַלּ֣וֹתִ/י הִ֑יא שְׁ֝נ֗וֹת יְמִ֣ין עֶלְיֽוֹן
STATEN

Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.

12
אֶזְכּ֥וֹר אזכיר מַֽעַלְלֵי יָ֑הּ כִּֽי אֶזְכְּרָ֖ה מִ/קֶּ֣דֶם פִּלְאֶֽ/ךָ
STATEN

Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;

13
וְ/הָגִ֥יתִי בְ/כָל פָּעֳלֶ֑/ךָ וּֽ/בַ/עֲלִ֖ילוֹתֶ֣י/ךָ אָשִֽׂיחָה
STATEN

En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

14
אֱ֭לֹהִים בַּ/קֹּ֣דֶשׁ דַּרְכֶּ֑/ךָ מִי אֵ֥ל גָּ֝ד֗וֹל כֵּֽ/אלֹהִֽים
STATEN

O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?

15
אַתָּ֣ה הָ֭/אֵל עֹ֣שֵׂה פֶ֑לֶא הוֹדַ֖עְתָּ בָ/עַמִּ֣ים עֻזֶּֽ/ךָ
STATEN

Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.

16
גָּאַ֣לְתָּ בִּ/זְר֣וֹעַ עַמֶּ֑/ךָ בְּנֵי יַעֲקֹ֖ב וְ/יוֹסֵ֣ף סֶֽלָה
STATEN

Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

17
רָ֘א֤וּ/ךָ מַּ֨יִם אֱֽלֹהִ֗ים רָא֣וּ/ךָ מַּ֣יִם יָחִ֑ילוּ אַ֝֗ף יִרְגְּז֥וּ תְהֹמֽוֹת
STATEN

De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

18
זֹ֤רְמוּ מַ֨יִם עָב֗וֹת ק֭וֹל נָתְנ֣וּ שְׁחָקִ֑ים אַף חֲ֝צָצֶ֗י/ךָ יִתְהַלָּֽכוּ
STATEN

De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.

19
ק֤וֹל רַעַמְ/ךָ֨ בַּ/גַּלְגַּ֗ל הֵאִ֣ירוּ בְרָקִ֣ים תֵּבֵ֑ל רָגְזָ֖ה וַ/תִּרְעַ֣שׁ הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

20
וּֽ֭/שְׁבִֽילְ/ךָ בַּ/יָּ֤ם דַּרְכֶּ֗/ךָ ו/שבילי/ך בְּ/מַ֣יִם רַבִּ֑ים וְ֝/עִקְּבוֹתֶ֗י/ךָ לֹ֣א נֹדָֽעוּ
STATEN

Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.

21
נָחִ֣יתָ כַ/צֹּ֣אן עַמֶּ֑/ךָ בְּֽ/יַד מֹשֶׁ֥ה וְ/אַהֲרֹֽן
STATEN

Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.