KETUVIM
Psalmen 83
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
שִׁ֖יר מִזְמ֣וֹר לְ/אָסָֽף׃
STATEN
Een lied, een psalm van Asaf.
אֱלֹהִ֥ים אַל דֳּמִי לָ֑/ךְ אַל תֶּחֱרַ֖שׁ וְ/אַל תִּשְׁקֹ֣ט אֵֽל־־־־׃
STATEN
O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
כִּֽי הִנֵּ֣ה א֭וֹיְבֶי/ךָ יֶהֱמָי֑וּ/ן וּ֝/מְשַׂנְאֶ֗י/ךָ נָ֣שְׂאוּ רֹֽאשׁ־׃
STATEN
Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.
עַֽל עַ֭מְּ/ךָ יַעֲרִ֣ימוּ ס֑וֹד וְ֝/יִתְיָעֲצ֗וּ עַל צְפוּנֶֽי/ךָ־־׃
STATEN
Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.
אָמְר֗וּ לְ֭כוּ וְ/נַכְחִידֵ֣/ם מִ/גּ֑וֹי וְ/לֹֽא יִזָּכֵ֖ר שֵֽׁם יִשְׂרָאֵ֣ל עֽוֹד־־׃
STATEN
Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.
כִּ֤י נוֹעֲצ֣וּ לֵ֣ב יַחְדָּ֑ו עָ֝לֶ֗י/ךָ בְּרִ֣ית יִכְרֹֽתוּ׃
STATEN
Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;
אָהֳלֵ֣י אֱ֭דוֹם וְ/יִשְׁמְעֵאלִ֗ים מוֹאָ֥ב וְ/הַגְרִֽים׃
STATEN
De tenten van Edom en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen;
גְּבָ֣ל וְ֭/עַמּוֹן וַ/עֲמָלֵ֑ק פְּ֝לֶ֗שֶׁת עִם יֹ֥שְׁבֵי צֽוֹר־׃
STATEN
Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.
גַּם אַ֭שּׁוּר נִלְוָ֣ה עִמָּ֑/ם הָ֤י֥וּ זְר֖וֹעַ לִ/בְנֵי ל֣וֹט סֶֽלָה־־׃
STATEN
Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.
עֲשֵֽׂה לָ/הֶ֥ם כְּ/מִדְיָ֑ן כְּֽ/סִֽיסְרָ֥א כְ֝/יָבִ֗ין בְּ/נַ֣חַל קִישֽׁוֹן־׃
STATEN
Doe hun als Midian, als Sísera, als Jabin aan de beek Kison;
נִשְׁמְד֥וּ בְֽ/עֵין דֹּ֑אר הָ֥יוּ דֹּ֝֗מֶן לָ/אֲדָמָֽה־׃
STATEN
Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.
שִׁיתֵ֣/מוֹ נְ֭דִיבֵ/מוֹ כְּ/עֹרֵ֣ב וְ/כִ/זְאֵ֑ב וּֽ/כְ/זֶ֥בַח וּ֝/כְ/צַלְמֻנָּ֗ע כָּל נְסִיכֵֽ/מוֹ־׃
STATEN
Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmûna;