KETUVIM

Psalmen 101

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֗ד מִ֫זְמ֥וֹר חֶֽסֶד וּ/מִשְׁפָּ֥ט אָשִׁ֑ירָה לְ/ךָ֖ יְהוָ֣ה אֲזַמֵּֽרָה
STATEN

Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!

2
אַשְׂכִּ֤ילָה בְּ/דֶ֬רֶךְ תָּמִ֗ים מָ֭תַי תָּב֣וֹא אֵלָ֑/י אֶתְהַלֵּ֥ךְ בְּ/תָם לְ֝בָבִ֗/י בְּ/קֶ֣רֶב בֵּיתִֽ/י
STATEN

Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.

3
לֹֽא אָשִׁ֨ית לְ/נֶ֥גֶד עֵינַ֗/י דְּֽבַר בְּלִ֫יָּ֥עַל עֲשֹֽׂה סֵטִ֥ים שָׂנֵ֑אתִי לֹ֖א יִדְבַּ֣ק בִּֽ/י
STATEN

Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

4
לֵבָ֣ב עִ֭קֵּשׁ יָס֣וּר מִמֶּ֑/נִּי רָ֝֗ע לֹ֣א אֵדָֽע
STATEN

Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

5
מלושני בַ/סֵּ֨תֶר רֵעֵ/הוּ֮ אוֹת֪/וֹ אַ֫צְמִ֥ית גְּֽבַהּ עֵ֭ינַיִם וּ/רְחַ֣ב לֵבָ֑ב אֹ֝ת֗/וֹ לֹ֣א אוּכָֽל מְלָשְׁנִ֬י
STATEN

Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, dien zal ik niet vermogen.

6
עֵינַ֤/י בְּ/נֶֽאֶמְנֵי אֶרֶץ֮ לָ/שֶׁ֪בֶת עִמָּ֫דִ֥/י הֹ֭לֵךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ תָּמִ֑ים ה֝֗וּא יְשָׁרְתֵֽ/נִי
STATEN

Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

7
לֹֽא יֵשֵׁ֨ב בְּ/קֶ֥רֶב בֵּיתִ/י֮ עֹשֵׂ֪ה רְמִ֫יָּ֥ה דֹּבֵ֥ר שְׁקָרִ֑ים לֹֽא יִ֝כּ֗וֹן לְ/נֶ֣גֶד עֵינָֽ/י
STATEN

Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.

8
לַ/בְּקָרִ֗ים אַצְמִ֥ית כָּל רִשְׁעֵי אָ֑רֶץ לְ/הַכְרִ֥ית מֵֽ/עִיר יְ֝הוָ֗ה כָּל פֹּ֥עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.